Hoe de gevorderde vogelaar piepers onderscheidt, ook in de trektijd

Pas op. Er is een Nederlandse vogelgids uitgekomen waarin de koolmees ontbreekt. Nou ja, die veelvoorkomende tuinvogel wordt twee keer genoemd, bij de bespreking van andere vogels. Bij de matkop en de bosrietzanger staat dat die nogal eens de zang of roep van de koolmees imiteren.

Maar hoe de koolmees eruit ziet? Hoe hij roept en zingt? Dat ontbreekt in de gids Vogeldeterminatie.

‘Ontdek de verschillen tussen vergelijkbare soorten vogels’. Vergelijkbaar had wel cursief gezet mogen staan. Als waarschuwing. De koolmees is zo onvergelijkbaar met andere dat er voor hem geen plaats was in de gids.

Het is een vogelboek voor mensen die al iets – zeg maar gerust veel – van vogels weten. Maar die eindelijk wel eens willen weten hoe ze in één oogopslag een matkop van een glanskop moeten onderscheiden.

Dat zijn de vogelaars die weten dat glans- en matkop mezen zijn met een zwarte kruin, witte wangen en een vrij beige lijf. Dat de zwarte mees een andere mees is, ook met een zwarte kruin. En dat de veelvoorkomende zwartkop een prachtig zingende zomergast is die voor verwarring zorgt. Vanwege zijn naam en uiterlijk.

Dat is beginnersverwarring. Deze gids heeft er geen aandacht voor. De zwarte mees komt in de gids nog minder vaak voor dan de koolmees. Eenmaal. De roep van de bladkoning „doet denken aan de roep van de zwarte mees Periparus ater, maar is veel helderder en krachtiger.”

De gids bestaat uit bijna 100 paragrafen waarin steeds de verschillen en overeenkomsten tussen twee tot vijf op elkaar lijkende vogelsoorten worden besproken. Neem de piepers. In de zomer is Nederland vrij overzichtelijk. Er zijn graspiepers en boompiepers. Met enige oefening zijn ze aan hun zang te herkennen. De boompieper houdt meer van open bos en heidevelden. De graspieper, de naam zegt het al, prefereert het bos en de weilanden van oude landgoederen.

Maar dan de trektijd. Dan komen er ook oeverpiepers, waterpiepers, duinpiepers, grote piepers en zelfs een enkele Siberische boompieper langs. Het wemelt ervan. En het zijn allemaal gestreepte, bruinige beestjes, met een groenige of crèmekleurige zweem, die erg beïnvloed wordt door de lichtval. Leuk, een gids die ze allemaal weer op tekening laat zien, maar vooral de piepjes onderscheidend noemt. Denk aan het volgens de gids ‘vertrouwde’ sip sip sip van de graspieper en het scherpe ziep, spziep van de boompieper.

De paragrafen behandelen ook soorten waarvan niet alle individuen op elkaar lijken. Gekraagde en zwarte roodstaart zijn makkelijk uit elkaar te houden, als het volwassen mannen zijn. De vrouwen lijken op elkaar en in de nazomer lijken de vogels die dat jaar geboren zijn op hun moeders. Behalve de net uitgevlogen gekraagde roodstaart. Die is gevlekt en lijkt erg op een net uitgevlogen roodborst. Gelukkig trekt iedere roodstaart op een typische manier met zijn staart.

Mooie gids, maar de variatie en de lichtval maken het altijd moeilijk. Misschien hadden er geluidsopnamen bij moeten zitten.

Neem nou die mat- en glanskop. Twee bladzijden beschrijving en uiteindelijk: „de verschillen in verenkleed zijn subtiel en moeten met zorg worden gebruikt.” Ga af op hun geluid, is het dringende advies. Dat is het verschil tussen een luid scheldend djur djur djur, of het nasale chè chè chè van de matkop, of het niezende pitch-oe van de glanskop. Je weet het al en de gids zegt het: vaak maken die dieren andere geluiden. Een eyeopener is dan dat de glanskop „snellere, hogere en zwierige” roepen heeft, terwijl de matkop „nadrukkelijke langzame, lage, sombere tonen” roept.