‘Het geld is er, de projecten zijn er, maar ze vinden elkaar niet’

Na drie jaar in Brussel voor de Europese Investeringsbank keert Knapen terug naar Den Haag.

Ben Knapen: „Het Europese concert vindt telkens wel een oplossing, maar het is vaak laat en komt dan met de kleinste gemene deler.”
Ben Knapen: „Het Europese concert vindt telkens wel een oplossing, maar het is vaak laat en komt dan met de kleinste gemene deler.” Foto Roger Cremers

Ben Knapen, tot 2012 staatssecretaris voor Europese Zaken in het eerste kabinet-Rutte, mocht de afgelopen drie jaar in Brussel zelf snuffelen aan de Europese politiek. Dat viel niet altijd mee. „Als ik Chinezen over de vloer had, toonden ze zich onthutst over het gebrek aan slagvaardigheid van de Europese Unie. Ze kunnen niet geloven dat we na vijf jaar nog steeds met Griekenland bezig zijn.”

De baas van het Brusselse bureau van de Europese Investeringsbank (EIB) kan dat alleen maar beamen. Sterker nog: Europa wordt sinds de eurocrisis zo in beslag genomen door damage control, dat toekomstplannen maken maar moeilijk gaat. Een nieuw investeringsplan dat de Europese Commissie van voorzitter Jean-Claude Juncker samen met de EIB ontwikkelde, moet die sleur nu helpen doorbreken.

Dankzij dat plan verwacht de EIB in de komende jaren 315 miljard euro extra te kunnen investeren in de economie. Garanties uit de EU-begroting (16 miljard euro) en van de bank zelf (5 miljard) moeten nieuwe investeerders over de streep trekken. De EIB selecteert vervolgens projecten, zoals de uitbreiding van de Rotterdamse haven, waarin zij in 2014 al 900 miljoen euro stak.

Maar Europa zou Europa niet zijn, als ook dit ‘Juncker-fonds’ niet moeizaam tot stand was gekomen. Vooral met het Europees Parlement moest flink worden onderhandeld, want bankieren met de EU-begroting is een nieuw concept dat op argwaan stuit. Vorige week werd alsnog een compromis bereikt. De uitvoering daarvan zal Knapen (64) niet meer begeleiden. Hij keert dinsdag terug naar Nederland als lid van de Eerste Kamer. De opdracht waarmee hij naar Brussel werd gehaald, een brug slaan tussen het EIB-hoofdkantoor in Luxemburg en de hoofdstad van Europa, is voltooid.

„De EIB is een geweldig instituut”, zegt de CDA-senator, want namens de bank mag hij formeel niet meer spreken. „Er lopen heel veel knappe lui rond, met grote technische kennis, maar de politieke antenne moest wat verder worden ontwikkeld. Daar kon ik wat aan doen.”

Knapen intensiveerde de contacten met EU-instellingen en vond een nieuw kantoor, pal aan het Schuman-plein, om nog maar even te benadrukken dat de EIB haar plek in het hart van de Europese macht opeist.

De reus is wakker geworden?

„De EIB wil relevant zijn bij wat er nu in Europa speelt, en ja, misschien is dat in het verleden te weinig gebeurd. Als je soelaas kunt bieden, is het misschien veilig, maar onverantwoord om rustig in de bossen van Luxemburg ons eigen dingetje te blijven doen. Van oudsher zijn we uitvoerders van beleid. Maar als je meer dan twee keer zo groot bent als de Wereldbank, moet je ook beleidsmaker zijn en niet afwachten wat er uit komt rollen.’’

Hiernaast zit het tijdens de eurocrisis opgerichte Europese noodfonds ESM, de zoveelste nieuwe instelling. Had de EIB daar niet moeten zitten?

„Het ESM zit in een andere business. Het financiert geen projecten, maar is gewoon een groot garantiefonds. Feit is wel dat ze een boel middelen hebben die ze moeten beheren. Dat is iets wat wij ook doen.”

U vindt dat zonde.

„Ach, ik was daar niet bij destijds. Iets anders vind ik de EBRD [Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling]. Die is begin jaren negentig opgericht om Oost-Europa tot ontwikkeling te brengen. Dat is een doublure. Wij zitten daar ook.”

Wat wil de EIB nu bereiken?

„Er is zat geld, en er zijn genoeg investeringsprojecten, maar die twee vinden elkaar niet. Door de crisis zijn de kapitaalseisen voor financiële instellingen strenger geworden. Bij een verzekeraar die wil investeren wordt nu veel nauwkeuriger gekeken of dat wel veilig is. Hierdoor blijft veel kapitaal ongebruikt. Wat wij dan kunnen doen is iets meer risico nemen in een project, en de volgende delen daarvan doorschuiven aan particuliere investeerders.”

Waarom heeft u daar de Europese Commissie bij nodig?

„Wij zijn geen charitatieve instelling, we hoeven ook geen winst te maken, maar we kunnen geen geld toveren. Wij schrijven EIB-obligaties uit. Die kunnen mensen kopen en met de opbrengst gaan we aan de slag. Maar die obligaties kunnen we pas uitschrijven wanneer er onderpand is. En daar komt de EU-begroting bij kijken.”

Alle EU-lidstaten vinden dat er meer geïnvesteerd moet worden. Waarom hebben ze zelf geen potje bij elkaar geharkt?

„Dat is de vorige keer ook gebeurd. Drie jaar geleden hebben lidstaten 10 miljard euro bij elkaar gebracht. Op basis daarvan hebben wij 60 miljard geleend, wat leidde tot 190 miljard aan extra projecten. Maar toen was er kapitaalschaarste. Nu niet. Nu is er een risicoprobleem.”

Maar dat risico wordt bij de EU-begroting gelegd, die al niet bijster groot is.

„Als lidstaten zelf garanties hadden willen geven, had dat ook gekund. Maar een aantal landen wilde dat om uiteenlopende redenen niet. Bovendien maken we op deze manier beter gebruik van de EU-begroting. Daar komen nu hoofdzakelijk subsidies uit, schenkingen dus. Door daar deels garanties van te maken, kun je particulier geld aantrekken, méér geld kortom. Die migratie is een mijlpaal.”

„Natuurlijk is het belangrijk dat er subsidies blijven gaan naar wetenschappelijke instituten. Maar wat wij in Europa heel veel tegenkomen is dat als er eenmaal een ontdekking is gedaan, de volgende slag, om er economisch iets bruikbaars van te maken, achterwege blijft. Recentelijk gaven wij een lening aan een farmaceutisch bedrijf dat plasmaderivaten ontwikkelt. Dat bedrijf durfde maar beperkt risico’s te nemen, omdat dit gevolgen had voor de winst- en verliesrekening en dus voor de beurskoers. In dat soort situaties kunnen wij net het verschil maken.”

De Europese Commissie gaat als het ware bankieren.

„Nee, het bankieren doen wij. De Commissie stelt ons in staat om investeringen te steunen die voor ons nu te riskant zijn, omdat het tot afwaardering door rating agencies zou leiden. Dankzij onze AAA-status, kunnen we zeer goedkoop lenen en het voordeel doorgeven aan ontwikkelaars van projecten. Die status is geen fetisj, maar simpelweg ons business model.”

Is 315 miljard euro genoeg?

„Het is geen game changer, maar het is ook niet niks. In relatie tot wat wij aan economisch levensvatbare, verstandige projecten zien is het genoeg. Wij hebben hier onze handen vol aan.”

De Europese Centrale Bank pompt ruim 1.140 miljard in de economie. Bent u niet jaloers?

„Integendeel. De charme van wat wij doen is dat wij van de echte economie zijn, niet van de imaginaire, van de geldstromen. Als er te midden van alle zorgen één instelling is die iets optimistisch uitstraalt, dan is het de onze. Want alles wat wij doen, eindigt in iets dat gemaakt wordt. Dat is hard nodig: we komen jaarlijks 150 miljard euro tekort aan investeringen in innovatie om te kunnen blijven concurreren tegen de Zuid-Korea’s van deze wereld.”

Wint Europa die strijd met het Juncker-plan?

„Het is een geweldig mooie bijdrage, maar het is maar een stukje van de puzzel. Je moet ook de economie zo blijven hervormen dat je kunt wedijveren met anderen in de wereld. Serieus werk maken van de interne markt voor dienstverlening. Wij zijn zo gewend aan die voor goederen, maar de economie is tegenwoordig vooral een dienstensector. Een internetbedrijfje dat grensoverschrijdend R&B-muziek levert, wordt helemaal gek van al die copyrights in Europa. Je kunt wel in breedband investeren, maar als een bedrijf dan na vijf minuten tegen de eerste de beste grens aanloopt, is dat niet logisch.”

Werkt Europa?

„Een beetje. Op sommige momenten werkt het wonderbaarlijk wel, maar je moet ook vaststellen dat de bestuurbaarheid moeilijk is met 28 lidstaten die totaal verschillende culturen, ambities en snelheden hebben. Het Europese concert vindt telkens wel een oplossing, maar het is vaak laat en komt dan met de kleinste gemene deler. Dat straalt geen daadkracht uit en bezorgt Europa een slecht imago. Iets doen aan die bestuurbaarheid is moeilijk, maar het moet wel.”