Hartsgeheim

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week een fragment uit ‘Hartsgeheim’, één van de verhalen uit de bundel De moord op Margaret Thatcher van Hilary Mantel. Ze is tweevoudig winnares van de prestigieuze Booker-literatuurprijs.

Hij was vijfenveertig toen zijn huwelijk definitief ten einde kwam op een zachte herfstdag, met het laatste barbecueweer. Niets van die dag had hij zo gepland, niets zo bedoeld, maar later kon je zien dat alle ingrediënten van de ramp voorhanden waren geweest. Met name Lorraine was voorhanden; daar bij de gigantische Amerikaanse koelkast liet ze een gelakte vingertop over de dofmetalen dubbele deur glijden. „Kruip je er ooit in?” zei ze. „Op een echt hete dag, bedoel ik?”

„Niet veilig,” zei hij. „De deuren kunnen zo dichtslaan.”

„Jodie zou je missen. Zij zou je er wel uit laten.”

„Jodie zou me niet missen.” Dat drong pas tot hem door toen hij het zei. „Trouwens,” zei hij, „zo heet is het nog niet geweest.”

„Niet?” zei ze. „Jammer.” Ze strekte zich uit en kuste hem op de mond.

Ze had haar wijnglas nog vast en hij voelde het, koud en klam in zijn nek, een rilling langs zijn ruggengraat zenden. Hij tilde haar tegen zich aan: een gebaar van gulzige graagte, met beide handen om haar achterste.

Ze mompelde iets, strekte een arm om het glas neer te zetten, schonk hem toen haar volledige aandacht, haar open mond.

Hij had altijd geweten dat ze beschikbaar was. Haar alleen nooit in haar eentje getroffen, op een warme middag, met rozig gezicht, drie glazen vinho verde van volledige nuchterheid vandaan. Nooit in haar eentje, omdat Lorraine het soort meisje was dat zich in groepen meisjes bewoog. Ze was vol, aardig, van betaalbare klasse voor deze buurt en gemakkelijk in de omgang. Ze zei grappige dingen zoals: „Wat is het toch sneu om naar een quiche vernoemd te zijn.” Ze rook heerlijk, naar keukenluchtjes: pruimen en vanille, chocolade.

Hij liet haar los en hoorde toen hij zijn greep ontspande haar hakjes met een klik terugkomen op de vloer. „Wat ben je toch een poppetje,” zei hij. Hij richtte zich in zijn volle lengte op. Hij kon zich zijn eigen gezicht voorstellen, zoals hij op haar neerkeek: plagend, teder, geamuseerd; hij herkende zichzelf nauwelijks. Haar ogen waren nog gesloten. Ze wachtte tot hij haar nog eens zou kussen. Deze keer hield hij haar eleganter vast, handen in haar taille, zij op de puntjes van haar tenen, tong flikkerend tegen tong. Rustig aan, rek het op, dacht hij. Geen haast. Toch gleed zijn hand als met een eigen wil onbeschaamd over haar rug. Hij tastte naar haar bh-sluiting. Een nauw merkbaar wegdraaien, een miniem vertrekken zei hem: niet nu, niet hier. Waar dan wel? Ze konden zich moeilijk lompweg een pad banen door de borrelaars en samen naar boven gaan.

Hij wist dat Jodie door het huis draafde. Hij wist – en later gaf hij dat ook toe – dat ze elk (ongelegen) moment kon binnenvallen. Ze hield niet van feestjes waaraan openstaande deuren te pas kwamen en gasten die tussen huis en tuin bewogen. Er konden vreemdelingen binnenkomen, en wespen. Het was al te gemakkelijk om met een brandende sigaret op de drempel te staan kletsen, niet binnen, niet buiten. Je kon bestolen worden waar je bijstond. Al glazen ruimend drong ze zich door groepjes gasten, haar eigen gasten, die plezier hadden en elkaar mobieltjes doorgaven, die zich allejezusnogaantoe probeerden te ontspannen, van de gelegenheid probeerden te genieten. Ze waren haar ter wille door hun glas in hun keel leeg te gieten en het aan haar af te staan. Deden ze dat niet, dan zei ze: „Neem me niet kwalijk, was je daar klaar mee?” Soms stapelden ze behulpzaam een paar glazen op en zeiden: „Hierzo, Jodie.” Ze glimlachten toegeeflijk naar haar, in de wetenschap dat ze haar een handje hielpen bij haar hobby. Je zag haar opgaan in haar eigen wereldje, het gezelschap de rug toegekeerd terwijl ze de vaatwasser inruimde. Het was niet ongebruikelijk dat ze die al liet draaien als het feestje nog geen uur oud was. Altijd kwam er na het vallen van het duister het moment dat echtgenotes huilerig werden en echtgenoten opgeblazen en oorlogszuchtig, dat er ruzies losbarstten over privéscholen en boomwortels en parkeervergunningen; hoe minder glas er dan voorhanden is, zei ze, hoe beter. Hij zei: je laat het klinken als een kroeggevecht in een achterstandswijk. Hij zei: goeie god, mens, zet die wespenspray weg.

Dat ging hem allemaal door het hoofd terwijl hij aan Lorraine nibbelde. Die wreef haar neus tegen hem aan, knoopte zijn overhemd los, liet haar hand over zijn warme borstkas glijden en even dralen boven zijn hart. Als Jodie echt binnenkwam, zou hij haar gewoon koeltjes verzoeken geen scène te trappen, even diep adem te halen en er wat Franser tegenaan te kijken. En wanneer de gasten naar huis waren, zou hij het uitspellen: het was tijd dat ze de teugels liet vieren. Hij was een man op zijn hoogtepunt en daar mocht hij weleens iets van terugzien. Hij onderhield hen in zijn eentje met zijn professionele inspanningen in de ambachtelijke-keukenbouw. Hij bracht een bedrag binnen dat in ernstige mate alles overtrof wat ze maar verwacht kon hebben en dankzij zijn snelle denkwerk waren ze nondeju zo goed als buiten bereik van de recessie; wie kon dat in hun kringen nog meer zeggen? En trouwens, hij was best bereid fair te zijn. „Het is geen eenrichtingsverkeer,” zou hij zeggen. Zij had dezelfde vrijheid als hij. Misschien wilde ze zelf ook wel een avontuurtje. Als ze er een kon krijgen.

Hij liet zijn hoofd zakken om Lorraine iets in het oor te fluisteren. „Wanneer neuken we?”

Ze zei: „Wat dacht je van volgende week dinsdag?”

Op dat ogenblik verscheen zijn vrouw en ze bleef in de deuropening staan. De blote armen waren doorgebogen takken, de glazen hingen als fruittrossen aan haar vingers. Lorraine had haar mond verhit tegen zijn borst, maar moest hebben gevoeld dat hij verstarde. Ze probeerde zich los te trekken: „O shit, daar heb je Jodie, gauw, klim in de koelkast.” Hij wilde niet van haar scheiden; hij hield haar bij de ellebogen beet en even stond hij zijn vrouw over Lorraines kroezige hoofd heen woest aan te staren.

Jodie deed een of twee stappen de keuken in. Hield toen, haar ogen op hen gericht, als verlamd stil. Er hing getinkel in de lucht toen de glazen trilden tussen haar vingers. Ze zei niets. Haar mond bewoog alsof ze iets wilde zeggen, maar er kwam alleen een kerm uit.