De wereld in 2100: negen of elf miljard mensen

Prognoses over de groei van de wereldbevolking in deze eeuw verschillen sterk. Wie het opleidingsniveau van vrouwen meerekent, krijgt een heel andere uitkomst.

Wereldwijd daalt het kindertal per moeder
Wereldwijd daalt het kindertal per moeder

Een verschil van bijna twee miljard mensen! „Dat is nogal wat”, zegt Joop de Beer van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI).

De vraag was hoe de wereldbevolking zich deze eeuw zal ontwikkelen. In de demografie is het een kwestie geworden nu twee verschillende instituten komen met sterk uiteenlopende ramingen, die via een compleet andere aanpak tot stand zijn gekomen. De Beer schreef er een artikel over in het meinummer van het maandblad Demos. En hij koos daarin partij.

De Verenigde Naties aan de ene kant verwachten dat de wereldbevolking gestaag blijft doorgroeien, deze hele eeuw. De huidige 7,3 miljard mensen zijn er in 2100 bijna 11 miljard geworden. De andere partij, het Wittgenstein Centre for Demography and Global Human Capital in Wenen, verwacht dat de piek rond 2070 wordt bereikt, met 9,4 miljard mensen. Daarna zet de krimp in. Rond de eeuwwisseling is de bevolking afgenomen tot net onder de 9 miljard.

Wie heeft gelijk?

Dit is niet zomaar een discussie. De groei van de wereldbevolking is namelijk bepalend voor de te verwachten vraag naar voedsel, water, bouwstoffen, energie. En indirect dus ook voor de klimaatopwarming.

De Beer weet het wel. Hij hangt de ramingen van het Wittgenstein Centre aan, zegt hij. „We zouden de prognoses van de VN niet meer moeten gebruiken.” Maar onderzoeker Akinyinka Akinyoade, verbonden aan het African Studies Centre in Leiden, vindt dat overdreven. „Elke prognose die tachtig jaar vooruit kijkt heeft grote onzekerheden in zich.”

Het Wittgenstein Centre baseert zich bij zijn ramingen sterk op de meningen van deskundigen. Zo’n 550 zijn er geënquêteerd over factoren die in hun ogen van invloed zijn op de hoogte van het kindertal, van de levensverwachting, van migratie. Verder neemt het Oostenrijkse instituut naast leeftijd en geslacht ook het opleidingsniveau van inwoners mee. Al vijftien jaar maakt het instituut zich hard voor deze aanpak, vooropgegaan door oprichter en directeur Wolfgang Lutz. Het opleidingsniveau, met name van vrouwen, blijkt van grote invloed op de total fertility rate, het gemiddeld aantal kinderen dat vrouwen in een land krijgen. Een langere opleiding leidt tot een afname van het gemiddelde kindertal. Het is daarmee een demografische factor van belang.

De VN nemen het opleidingsniveau niet mee. Ze baseren zich in hun ramingen bovendien niet op experts, maar op extrapolaties; ontwikkelingen in het verleden worden doorgetrokken naar de toekomst.

Afrika

Volgens de VN ligt de kern van de aanhoudende bevolkingsgroei in Afrika bezuiden de Sahara, met een grote rol voor Nigeria. Onderzoekers van de Population Division van de VN beschreven dat onlangs in een artikel in Science (10 oktober, 2014). Dit deel van de wereld gedraagt zich volgens de auteurs anders dan wat demografen gewend waren van elders. Afrika doorloopt de zogeheten demografische transitie, die drie fasen kent, veel langzamer. De eerste fase is er een van hoge geboorte- en sterftecijfers. Naarmate hygiëne en gezondheidszorg (vaccinaties en inzet van antibiotica) verbeteren, daalt het sterftecijfer, maar blijft het geboortecijfer vooralsnog hoog. Dat is fase twee. De bevolking groeit snel, er is verstedelijking. Vervolgens gaat een land naar fase drie. De gezinsplanning verandert, en het kindertal daalt gestaag.

West-Europa heeft deze transitie rond 1750 ingezet, dat zit al lang in fase drie. Het gemiddelde kindertal ligt er nu op 1,7. In grote delen van Azië, Latijns-Amerika en het Midden-Oosten heeft zich vanaf de jaren 60 en 70 een gestage en snelle daling van het kindertal voorgedaan. Het gemiddelde is gedaald van 6 naar 2,5. „Maar in Sub-Sahara Afrika gaat het veel langzamer”, zegt demograaf Bruno Schoumaker van de Katholieke Universiteit Leuven, die veel onderzoek doet in Afrika. In diverse landen is nu zelfs sprake van een stagnatie. Ze blijven, vooralsnog, steken bij een gemiddeld kindertal van 5. Onderzoekers breken zich het hoofd over de oorzaken.

Kinderwens

De vooraanstaande demografen John Bongaarts en John Casterline hebben Afrika vergeleken met Azië en Latijns-Amerika (Population and Development Review, 19 februari, 2013). Ze komen tot de conclusie dat Afrika sowieso al is begonnen met een hoger kindertal van bijna 7 kinderen per vrouw – in Azië en Latijns-Amerika was het 6. Verder ligt de kinderwens – gecorrigeerd voor de fase waarin een land zich bevindt – van stellen in Afrika hoger. Vooral in Centraal- en West-Afrika. Dat heeft volgens hen te maken met een achterblijvende economie, een gebrek aan opleiding, voorbehoedsmiddelen en programma’s voor gezinsplanning. Maar er zijn wellicht ook culturele factoren, schrijven ze. De Leuvense demograaf Schoumaker beaamt dat. „Er is een hardnekkige voorkeur voor hoge vruchtbaarheid.”

Hoe komt dat? Onder andere omdat het krijgen van meer kinderen in sommige culturen meer status geeft, zegt Akinyinka Akinyoade, die in Leiden onderzoek doet naar de effectiviteit van publieke diensten, onder meer in zijn land Nigeria. In het noordwesten is dat bijvoorbeeld zo. En in het noordoosten van Nigeria komt nog polygamie voor. Daar zitten de vrouwen in een race, zegt Akinyoade. „Je moet meer kinderen hebben dan de tweede en de derde vrouw.”

Voorkeur voor meisjes

Er is ook gesuggereerd dat de vertraagde afname van het kindertal te maken heeft met ideeën over een ideale gezinssamenstelling. Akinyoade sluit dat niet uit. „In het zuidoosten van Nigeria is er een voorkeur voor meisjes, want die leveren een hogere bruidsprijs op.” Hij ziet grote regionale verschillen in de daling van het kindertal. In het zuidwesten, de regio rond metropool Lagos, ligt het nu op 3,5. In het noordwesten ligt het op 6.

Extra opleiding van met name meisjes kan helpen, zegt Akinyoade. Maar de culturele kinderwens zit diep. „Meisjes in Ghana die 17 jaar naar school gaan, proberen daarna toch snel drie, vier kinderen te krijgen.”

Bongaarts en Casterline pleiten er in hun overzichtsartikel voor dat Afrikaanse overheden meer aandacht geven aan gezinsplanning, beschikbaarheid van voorbehoedsmiddelen, opleiding. Volgens Akinyoade ligt daar juist een deel van het probleem. „In Nigeria wil de overheid zich niet bemoeien met privézaken.” Verder domineert in het zuidoosten van het land de katholieke kerk, en die benadrukt natuurlijke geboortebeperking.

Wat dit allemaal betekent voor de bevolkingsontwikkeling van Afrika is niet duidelijk. Demograaf De Beer wijst er in zijn artikel op dat kleine verschillen in aannames grote gevolgen kunnen hebben. De VN gaat ervan uit dat het kindertal wereldwijd daalt van 2,5 nu naar 2 in 2100. Maar neem je aan dat elke vrouw gemiddeld 0,2 kinderen minder krijgt, dan kom je in 2100 uit op 9,8 miljard. En bij 0,3 is het 9 miljard.

Het Wittgenstein Centre verwacht voor Afrika, ondanks de huidige stagnatie, een forse toekomstige daling in kindertal. Onder meer door verbetering van het opleidingsniveau van jonge vrouwen. De VN zijn daar pessimistischer over. En voor China, dat zijn eenkindpolitiek heeft versoepeld, verwachten de VN een toename van het kindertal. Het Wittgenstein Centre daarentegen denkt dat het kindertal in China laag blijft.

De Leuvense demograaf Schoumaker noemt het „interessant” dat het Wittgenstein Centre ook het opleidingsniveau betrekt in zijn prognoses. „Maar voorspellen wat de toekomst van opleidingen in een land zal zijn, kunnen we nog steeds niet.” Dus blijft ook het voorspellen van de bevolkingsgroei een hachelijke zaak. Zeker voor Afrika, zegt Schoumaker. „Want daar zijn de gegevens vaak incompleet en lang niet altijd betrouwbaar.”

Hij kent de discussie tussen de VN en het Wittgenstein Centre. Maar kiezen wil hij niet. „Je zou de benaderingen moeten mengen.”