Ben Bot’s lobby, Libisch oliegeld en de Zuidas

Foto's Thinkstock, DPA / fotobewerking fotodienst NRC

Vijfsterrenhotel Corinthia is maar een paar passen van het strand van Tripoli. Op donderdagmiddag 16 maart 2006 is het the place to be in het Libië van kolonel Gaddafi. Een met bladgoud versierde zaal is het toneel van het huwelijksfeest van Ismael A. en Ghada Ghanem, dat drie dagen zal duren.

Via zijn huwelijk treedt Ismael toe tot de clan rond Gaddafi. Ghada is de oudste dochter van Shokri Ghanem, oud-premier van Libië en een van de machtigste mannen van het regime. Hij voert de controle over de belangrijkste inkomstenbron van Libië: de olie-industrie. Hij is net bestuursvoorzitter geworden van de National Oil Corporation. Twee jaar eerder zijn de internationale sancties tegen het Gaddafi-regime opgeheven. Sindsdien groeit de oliehandel explosief. Een paar maanden na het huwelijk richt het regime de Libyan Investment Authority op, om 65 miljard dollar aan olie-inkomsten in het buitenland te beleggen.

Ismael, Ghanems kersverse schoonzoon, is tegen die tijd in Nederland. Opnieuw. Eind jaren negentig deed hij een managementstudie aan universiteit Nyenrode en liep hij stage bij een vermogensbeheerder aan de Zuidas in Amsterdam, waarna hij een baan als trainee kreeg.

Nu, terug in Amsterdam, begint Ismael met Nederlandse partners zelf een bedrijf: Palladyne International Asset Management BV. Hij gaat vermogens van derden beheren. Hij heeft meteen een bekende klant: de Libyan Investment Authority. Die brengt 300 miljoen dollar bij hem onder. Twee andere Libische staatsfondsen, waar schoonvader Ghanem invloed op heeft, doen daar nog eens 400 miljoen dollar bij. Daarmee beheert de startup in één klap 700 miljoen dollar van het Gaddafi-regime.

Het is acht jaar later, mei 2014, als Ben Bot, oud-minister van Buitenlandse Zaken, thuis in Den Haag een telefoontje krijgt van Miriam González. Bot kent haar uit zijn tijd in Brussel, toen zij bij de Europese Commissie werkte. Ze is de vrouw van Nick Clegg, tot vorige maand de Britse vicepremier, en ze is partner bij Dechert, een Londens advocatenkantoor. Dechert behartigt de belangen van Ismael (45) en diens familie.

Hun cliënt is ten einde raad, zegt González, en vraagt of Bot wil helpen. In juni 2013 heeft het Openbaar Ministerie (OM) in Nederland huiszoeking gedaan in het appartement van Ismael in Den Bosch en bij Palladyne in Amsterdam. Tegelijk is beslag gelegd op bezittingen van Ismael en Palladyne. Door het beslag is het bedrijf vleugellam. De zaak duurt al meer dan een jaar en het OM wil de verdenkingen van het witwassen van geld, oplichting en valsheid in geschrifte niet toelichten, zegt González. Zoiets geks hebben ze nog niet meegemaakt in Londen. Of hij er eens naar wil kijken?

Bot (77) werkt sinds zijn vertrek als minister in 2007 bij het Haagse lobbykantoor Meines Holla & Partners. Aan zijn lange diplomatieke, ambtelijke en politieke carrière heeft hij connecties op de hoogste niveaus overgehouden. Bot kan deuren openen.

Hij spreekt met de advocaten van Dechert en besluit „adviseur” te worden van de verdachte Ismael, zegt Bot desgevraagd tegen deze krant. Maar niet nadat hij zich eerst verdiept heeft in de zaak. „Ik heb natuurlijk wel tegen de advocaten gezegd: voordat ik überhaupt iets wil doen, wil ik weten waarom jullie denken dat deze man volledig onschuldig is. En als jullie als groot advocatenkantoor daar absoluut van overtuigd zijn, laat me dan maar zien waarom. Ze hebben mij toen opening van zaken gegeven.”

Bot aanvaardt de opdracht. Niet namens Meines Holla & Partners, maar via zijn eigen bedrijf, Bopathy BV. Bot zet hoog in. Hij belt en schrijft met hoofdofficier Marianne Bloos van het Functioneel Parket. Zij is verantwoordelijk voor het onderzoek dat opsporingsdienst FIOD doet naar zijn cliënt.

In zijn brieven vraagt Bot opheldering over de verdenkingen. Het is, legt hij uit aan deze krant, „moeilijk te verteren” dat het OM na bijna twee jaar „nog steeds geen indicatie wil geven, of hoogstens wat vage indicaties, van de strafbare feiten”. Bot: „Dat heb ik nog nooit meegemaakt en ik heb dan ook tegen de hoofdofficier gezegd: ‘Luister eens, wat je in ieder geval moet doen in onze rechtsstaat – want ik heb nog steeds het gevoel dat we in een rechtsstaat leven in Nederland – dat is binnen twee jaar zeggen: u wordt daar en daar van verdacht’.”

In zijn brieven vraagt Bot ook om opheffing van het beslag op de rekeningen van Ismael en Palladyne, zodat het bedrijf verder kan. De zaak overziend is er weinig aan de hand, volgens Bot. De verdenkingen zijn „door de advocaten allemaal met tegenbewijzen weerlegd”.

Beurswaakhond

Is er inderdaad weinig aan de hand, zoals Ben Bot suggereert? Wie verder kijkt, ontdekt een stapel internationale beschuldigingen en strafrechtelijke verdenkingen aan het adres van Palladyne, de familie A. en de familie Ghanem.

In de Verenigde Staten houden justitie en de Securities and Exchange Commission (SEC), de officiële beurswaakhond, zich bezig met Palladyne. Ze onderzoeken of de Amerikaanse zakenbank Goldman Sachs in de Gaddafi-periode via Ismael en Palladyne smeergeld heeft aangeboden aan de Libyan Investment Authority. Het zou gaan om 50 miljoen dollar.

In drie Europese landen – Nederland, Noorwegen en Zwitserland – lopen strafrechtelijke onderzoeken naar corruptie, oplichting en witwassen. Die draaien om de miljoenen die de twee Libische families vergaarden uit transacties met Libische staatsfondsen. Transacties die telkens gekoppeld kunnen worden aan de invloed van ex-premier Shokri Ghanem. In de kern komen ze neer op het aannemen van smeergeld en het voor eigen gewin afromen van de Libische staatsfondsen.

De meest vergaande aantijgingen tot nu toe komen van Dan Friedman, een Amerikaanse oud-werknemer van Palladyne. In een civiele procedure in de Amerikaanse staat Connecticut eist hij een schadevergoeding van 44,9 miljoen dollar van onder meer Palladyne en Ismael. Hij zou in 2010 zijn voorgelogen bij zijn sollicitatie en zijn carrière zou zijn geknakt.

Hem was verteld dat hij ging werken bij een internationale vermogensbeheerder met klanten uit de hele wereld. Toen hij na drie maanden vertrok, was hem duidelijk dat Palladyne nagenoeg alleen de 700 miljoen dollar beheerde uit de Libische staatsfondsen die onder controle stonden van Ismaels schoonvader. Palladyne deed volgens Friedman niets met de fondsen, maar bracht wel hoge vergoedingen in rekening. Palladyne was volgens hem niet meer dan „een smeergeld- en witwasoperatie van het Gaddafi-regime”.

Terwijl de zaak van Friedman nog loopt, vertellen enkele ex-collega’s tegen deze krant hoe het was om voor Palladyne te werken. Een van hen: „Palladyne leek in praktijk meer een eenmanszaak van Ismael. Andere medewerkers hadden geen idee wat er allemaal speelde. Hij was gemiddeld drie weken per maand niet in het land. In de week dat hij er wel was, zagen we hem een paar momenten. Het was een wonderlijke tijd.”

Het verhaal van Friedman wordt ondersteund door een rapport dat de non-gouvernementele organisatie Global Witness in 2011 onthulde. Het is tijdens het Gaddafi-regime opgesteld door consultant KPMG in opdracht van de Libyan Investment Authority. KPMG laat zien dat de Amerikaanse en Europese financiële instellingen, die de fondsen van de Libische investeringsautoriteit beheren, bedroevende resultaten behalen. Tegelijk toucheren ze torenhoge fees. Een van de slechtste prestaties levert Palladyne in Amsterdam. Over de 300 miljoen dollar die de Libische investeringsautoriteit daar inlegde, schrijft KPMG: „Tot op heden [is] meer dan 18 miljoen dollar aan fees betaald, voor het verliezen van 30 miljoen dollar.”

Laatste benen

Vijf jaar na het sprookjeshuwelijk in hotel Corinthia beginnen voor de twee Libische families de problemen. Na de ‘Arabische Lente’ in Egypte en Tunesië komt het ook in Libië tot een opstand. De Verenigde Naties bevriezen de buitenlandse tegoeden van het Gaddafi-regime dat na 42 jaar op zijn laatste benen loopt. De sancties treffen ook het Libische vermogen dat Palladyne beheert.

Door de opstand zijn beide families hun lucratieve band met het regime kwijt. Shokri Ghanem vlucht in mei 2011 uit Libië, nadat de aanklager van het Internationale Strafhof in Den Haag had opgeroepen tot vervolging van Gaddafi en diens zoon Saif al-Islam wegens misdaden tegen de menselijkheid. Ghanem rijdt per auto naar Tunesië en reist door naar Wenen. In die stad heeft zijn familie een huis. Ghanem werkte in Wenen eerder voor de OPEC, de organisatie van olieproducerende landen.

Die zomer valt het regime. In oktober wordt Gaddafi gelyncht. Shokri Ghanem is zijn invloedrijke positie kwijt. Binnen een half jaar later is zijn wereld veranderd.

Meer slecht nieuws komt uit Noorwegen. Yara International, een kunstmestconcern in Oslo, maakt bekend steekpenningen te hebben betaald voor de bouw van een fabriek in Libië. Yara investeerde in 2008 samen met de Libische National Oil Company en de Libyan Investment Authority in de fabriek. Shokri Ghanem zette namens de National Oil Company zijn handtekening.

De Noorse justitie ontdekt dat de zoon van Shokri Ghanem, Mohamed Ghanem, via een brievenbusfirma op de Britse Maagdeneilanden 1,5 miljoen dollar kreeg van Yara. Zwager Ismael wordt in de procedure in Noorwegen genoemd als gemachtigde van de Zwitserse bankrekeningen van zijn schoonfamilie. En op de rekeningen van Mohamed Ghanem kwam geld van Palladyne uit Amsterdam binnen. De Noren vragen Zwitserland om hulp. De Zwitsers op hun beurt Nederland.

Het verhaal krijgt een nieuwe wending als op zondagochtend 29 april 2012 in Wenen het lichaam van de gevluchte ex-premier Shokri Ghanem gevonden wordt in de Donau. Moord, zelfmoord of ongeluk? Justitie zat hem op de hielen. Ook de nieuwe machthebbers in Tripoli wilden hem vervolgen voor wanbeheer, zelfverrijking en corruptie.

Shokri Ghanem (69) hield tot zijn dood een dagboek bij. Ghanem was zich bewust van de dreiging, zo blijkt. Op 13 maart 2012 schreef hij: „De openbaar aanklager verklaarde de rode kaart tegen mij te hebben afgegeven om mij aan te houden. Sommigen zeggen dat ik 600 miljoen heb gestolen. (…) Ze zijn achter het bedrijf gekomen. Moge Allah helpen.”

Voor moord worden geen aanwijzingen gevonden.

Puzzelstukjes

Het onderzoek in Noorwegen is in 2012 uitgegroeid tot een internationale zoektocht naar door de Gaddafi-clan gestolen Libische miljoenen. Vanuit Oslo, Lausanne en Amsterdam worden puzzelstukjes aangereikt. In november 2012 vraagt Zwitserland in een rechtshulpverzoek informatie aan Nederland over de betalingen van Palladyne aan Mohamed Ghanem. In Nederland begint het Functioneel Parket, een onderdeel van het Openbaar Ministerie dat zich toelegt op de bestrijding van complexe fraude, een eigen onderzoek.

Wat het parket op het spoor is, wordt duidelijk uit documenten van het federaal gerechtshof in Zwitserland. Daarin wordt geciteerd uit een rechtshulpverzoek dat Nederland op zijn beurt aan Zwitserland heeft gedaan.

Het blijkt in Nederland te gaan om het wegsluizen van Libisch staatsgeld naar bankrekeningen van de twee Libische families.

Palladyne inde jaarlijks 2,5 procent van het beheerde Libische vermogen als „managementvergoeding”, staat in de Zwitserse documenten. „Meer dan tweederde van de in dat kader ontvangen bedragen werd gestort op een rekening in Zwitserland waarvan de zwager van Ismael, Mohamed Ghanem, de uiteindelijke economische gerechtigde was.”

De betalingen waren gekoppeld aan een consultancyovereenkomst tussen Palladyne en een bedrijfje van Mohamed Ghanem. Volgens het OM is het een vals document. In werkelijkheid zou Ghanem geen diensten hebben verleend.

Palladyne betaalde Mohamed Ghanem 28,5 miljoen dollar. Dat bedrag werd onmiddellijk doorgestort naar andere bankrekeningen van Ghanem die vervolgens weer enkele miljoenen overmaakte naar rekeningen in Nederland van Ismael en zijn familie.

De informatie uit Zwitserland leidt op 26 juni 2013 tot de huiszoekingen in Nederland, bij Palladyne aan het Gustav Mahlerplein aan de Amsterdamse Zuidas, en in het appartement van Ismael in Den Bosch. Bij de in beslag genomen spullen zit het dagboek van de overleden Shokri Ghanem. In de rechtszaak tegen de leiding van Yara International in Oslo zal er later uit geciteerd worden. Tegelijk legt het OM beslag ter grootte van 22 miljoen euro (28,5 miljoen dollar) op banktegoeden van Palladyne, privébezittingen van de familie A., en later, op Zwitserse bankrekeningen van zes brievenbusfirma’s.

Schikking

Terwijl de onderzoeken in Nederland en Zwitserland nog lopen, is Noorwegen al een stap verder. Daar treft Yara Internationaal in januari 2014 een schikking met justitie voor een bedrag van 48 miljoen dollar vanwege de omkoping in het Libië-dossier en twee andere dossiers.

Het is de hoogste boete ooit in Noorwegen. Vier ex-managers – twee Noren, een Fransman en een Amerikaan – worden vervolgd. Tijdens een maanden durend proces worden gevangenisstraffen van drie tot zeven jaar geëist. De rechtbank in Oslo komt naar verwachting deze maand met een vonnis. Justitie in Noorwegen zegt een vijfde verdachte te hebben: Mohamed Ghanem. Hij weigerde in Oslo te getuigen. De Noren hebben nog niet besloten of er een aanklacht tegen hem komt. Hij woont in Bahrein, waar hij bestuursvoorzitter is van de First Energy Bank. Hij reageert niet op verzoeken van deze krant. Ghanems advocaat in Noorwegen ontkent dat zijn cliënt daar verdachte is.

Lobbyisten

De beide families laten intussen geen middel onbenut om zich te verdedigen tegen justitie en de media. Advocaten, belastingdeskundigen, reputatieadviseurs en lobbyisten in New York, Londen, Den Haag, Breda, Amsterdam, Genève en Oslo hebben hun handen vol.

In Nederland proberen Palladyne, Ismael en zijn familie achter de gesloten deuren van de raadkamer van de Amsterdamse rechtbank het beslag van het OM op hun banktegoeden op te heffen. Ze vangen bot. Bij het federaal gerechtshof in Zwitserland stranden drie pogingen om het beslag op de Zwitserse bankrekeningen op te heffen en de overdracht van bankgegevens van Zwitserland aan Nederland te verbieden.

Ondertussen stapelen de problemen zich op. In Nederland komt ook de Autoriteit Financiële Markten (AFM), de toezichthouder op de financiële sector, in actie. Sinds 22 juli 2014 valt Palladyne onder het toezicht van de AFM en moet de vermogensbeheerder een vergunning hebben volgens de zogenoemde AIFM-richtlijn.

Bronnen rond Palladyne melden dat de vergunning in 2014 is aangevraagd, maar niet is verleend vanwege de verdenkingen. Uit de openbare databank van de AFM blijkt dat er inderdaad geen vergunning is verstrekt. Zonder vergunning moet Palladyne stoppen met het beheer van het Libische vermogen.

De bij de Kamer van Koophandel gedeponeerde jaarstukken van Palladyne over 2012 en 2013 laten financiële problemen zien, ontstaan door het beslag op de bankrekeningen. De aandeelhouders – volgens bronnen onder meer de familie A. – moeten nieuw kapitaal inbrengen om Palladyne te redden. Ze verstrekken ook leningen van meer dan vijf miljoen euro.

Het zijn deze problemen die voor Ben Bot reden zijn om hoofdofficier Marianne Bloos te vragen het beslag op te heffen.

Hoewel blijkt dat Bots cliënt in allerlei onderzoeken is verwikkeld, blijft de oud-minister diens onschuld verkondigen. Hij vindt dat het OM een dunne zaak heeft. „Ik heb het gevoel dat ze geweldig met de zaak in hun maag zitten en dat ze zich vertild hebben aan dit geval”, zegt hij op 15 mei tegen deze krant.

Daarmee neemt Bot een standpunt in, hoewel hij tegelijk zegt zich niet „met de inhoudelijke aspecten” van het justitiële onderzoek te willen bemoeien.

Zijn cliënt is „echt een schrijnend geval”, zegt Bot, die nog graag iets toevoegt. Iets waarover hij zich zorgen zegt te maken. Hij vreest dat door toedoen van het OM de door Palladyne beheerde Libische miljoenen in handen komen van het onwettige, fundamentalistische regime in Tripoli. De gekozen regering is vorig jaar uitgeweken naar het oostelijke Tobruk, toen fundamentalisten de hoofdstad innamen.

Bot: „Ik heb het alleen van de advocaten, maar de officier van justitie zou gezegd hebben: ‘Als de heer A. terugtreedt en het geld wordt weer aan Libië overgemaakt, dan hou ik het voor gezien.’ Ik weet niet of dat zo is, maar ik vond het raar. Dat moet dan maar eens in het openbaar gezegd worden en niet via de achterdeur.”

Hij oppert ook dat de onderzoeken in Europa zijn ingestoken vanuit fundamentalistische hoek. Bot: „Ik krijg de indruk, maar nogmaals ik ben alleen maar adviseur, dat hier IS-achtige – of hoe je het noemen wilt – groeperingen in Libië achter zitten. Die willen gewoon zoveel mogelijk geld terugharken om zoveel mogelijk wapens te kopen.”

Dat het onderzoek is ingestoken vanuit Libië klopt niet, reageert federaal aanklager Jacques Rayroud vanuit Zwitserland. Hij heeft geen enkel contact met Libië gehad. Hij zou ook niet weten met wie, gezien de grote problemen in dat land, zegt hij. Dat bemoeilijkt het onderzoek.

Dat duurt in Nederland inmiddels twee jaar. Het OM zegt dat de waarheidsvinding in complexe, internationale fraudezaken nu eenmaal tijdrovend is. Zeker als informatie via rechtshulpverzoeken moet worden verkregen.

Het OM wil verder niet reageren op de uitlatingen van Bot. Over diens rol wil het OM wel nog iets kwijt: „Aanvankelijk was voor het OM niet duidelijk wat de relatie tussen de heer Bot en de verdachten was. Later heeft hij dat verduidelijkt. De heer Bot erkende geen advocaat te zijn en hij beschouwde zich evenmin als pleitbezorger. De heer Bot heeft niet vermeld dat dit voor hem een betaalde opdracht betrof. Dit was evenmin uit de briefhoofden af te leiden.”

Het probleem is dus dat Bot het OM niet met open vizier benaderde. In een brief aan hoofdofficier Bloos schrijft Bot slechts dat hem gevraagd was zijn „invloed aan te wenden om het proces vlot te trekken en inzicht te krijgen in de achtergrond en de beweegredenen voor het optreden van het OM, zonder daarbij op voorhand partij te kiezen.”

Als betaald adviseur koos hij echter wel partij. Over de betaling zegt Bot: „Kijk, u werkt niet voor niks, niemand werkt voor niks. Dat vind ik heel terecht. Ze waren bereid daar een kleine vergoeding tegenover te stellen.”

Vindt hij het eigenlijk acceptabel dat een oud-minister contact opneemt met een hoofdofficier in een lopend strafonderzoek? Bot: „Mijn bemoeienis was beperkt. Ik ben niet inhoudelijk op de zaak ingegaan. Ik vind dat dat kan. Ik hoop dat ze in de gaten hebben dat je niet iemand eeuwig aan het lijntje kunt houden. Iedere burger heeft het recht om zich tot justitie te wenden. Ik heb als burger gevraagd wat er aan de hand is, en daarmee Schluss.”