Beboete burgers dokken en zeggen ‘dank je wel’

Iedereen haat verkeersboetes. Vooral als je automatisch bent geflitst door zo’n geniepige camerazuil, liefst voor een lullige paar kilometer te hard. Wie de verkeershandhaving op tv wel eens ziet, merkt dat politiemensen de burger meestal met enige omzichtigheid het bedrag vertellen. Iedereen schrikt: 140, 200, 340 euro... „Deze week weer voor niks gewerkt”, zucht de man met het schildersbusje dan, zich verbijtend. Vaak krijgt de agent een hand en klinkt er ‘bedankt’. De opgelierde types daargelaten (‘jij moet mij niet filmen, jij’), blijken we een braaf volk. Dokken en dankjewel zeggen.

Het doet me denken aan het metro-onderzoek uit de jaren ’90 van criminoloog Henk Elffers e.a. Daar werd naast een werkende roltrap een bord gezet met: ‘U dient de trap te nemen. De directie’. Zónder bord neemt vrijwel iedereen de roltrap; mèt bord stapte 58 procent gehoorzaam de trap op. De pakkans was hier nul, net als de strafkans. De meeste burgers hebben een ingebakken weerzin tegen het overtreden van regels en doen liever wat de bedoeling is. Ook als ze hijgend de trap moeten nemen.

Het is een correctie op het beeld van de calculerende burger. Die steeds op subjectieve basis kosten en baten, waaronder schuld, schaamte en afkeuring, afweegt bij zijn gedragskeuze. De burger blijkt ook een moreel handelend wezen, met een eigen kompas.

Aan dat boetebeleid erger ik me. Juist omdat je aan de agenten op tv merkt dat de bedragen niet redelijk zijn. In 2013 zei korpschef Oost Brabant, Hans Vissers, dat het kabinet met bedragen van 200 tot 300 euro voor relatief kleine overtredingen is ‘doorgeschoten’. Vissers zei toen dat agenten daardoor ‘aarzelen’ en afzien van beboeten. Deze praktijkobservatie kwam hem te staan op een oorvijg van de minister in de Kamer. De politie gaat er niet over en hij moet zich er niet mee bemoeien. Terug in je hok. Sindsdien heeft geen enkele korpschef meer iets durven zeggen dat als kritiek op het kabinetsbeleid kan worden begrepen. De leiding van de Nationale Politie is effectief gemuilkorfd – de afstand met de burger is verder vergroot.

Maar gelukkig hebben we de Algemene Rekenkamer, die in mei het Verantwoordingsonderzoek 2014 publiceerde. Daarin krijgt Opstelten onder uit de zak, juist over die verkeersboetes. Het is al vrij maf dat het departement dat de boetes moet innen, ze als inkomsten mag houden. Justitie heeft zo een direct belang bij wetsovertreding. Ziedaar de calculerende rechtsstaat in wiens directe belang er voldoende overtreden moet worden. Vorig jaar begrootte het ministerie een miljard euro aan boetes, transacties en ‘afpakken criminele winst’, op een begroting van bijna 12 miljard. Het is een schoolvoorbeeld van een perverse beleidsprikkel.

De verkeersboetes zijn sinds 2008 dus zeer fors gestegen. Vanwege de prijsindexering met 16 procent en ‘beleidsmatig’ nog eens met 47 procent. Ook zijn er boetes verhoogd omdat er niet genoeg geld binnenkwam en de begroting niet gehaald dreigde te worden, constateert de Rekenkamer. Opstelten beweerde intussen, strijk en zet, dat boetes in het verkeer echt alleen zijn bedoeld om automobilisten tot inkeer te brengen. Lagere boetes waren ‘niet afschrikwekkend’ genoeg. Politiek kom je daar makkelijk mee weg; iedereen wenst nu eenmaal te geloven dat hogere straffen op zichzelf meer afschrikken. Elffers noemde dat in 2005 al een blijk van machteloosheid: als strenger straffen niet helpt, wat in vredesnaam dan wel? De Rekenkamer zegt dat de hoogte van boetes „wel enig effect op gedrag heeft”. Maar dat effect is gering en gebonden aan tijd en plaats. „Een verhoging van de pakkans blijkt effectiever”.

Dat is inderdaad een standaardwaarheid uit de criminologie. Sancties zijn pas effectief als de pakkans hoog is en de sanctionering zeker. Met boetes verhogen ben je er niet. De flitscamera is voor Justitie wat Ezeltje Strekje voor de Efteling is. Een geldmachine - die vooral niet moet haperen.