Atomen splitsen voor de wereld van morgen

Na 1945 zette Nederland hoog in op nucleair onderzoek. Kerncentrales hadden niet de toekomst, maar die energieke aanpak werpt nog steeds vruchten af.

De kernreactor in Petten
De kernreactor in Petten foto anp

De noordwestenwind heeft de lucht boven Petten schoon geblazen. De sparren op het duin hebben zich in de loop der jaren voor de wind gebogen en wijzen als gekromde vingers landinwaarts. Erachter, zichtbaar vanaf de duintoppen, ligt de oudste kernreactor van Nederland.

Het aardbevingsluwe Petten leek een goede plek voor een reactor. De geringe bevolkingsdichtheid zou „een eventuele evacuatie niet te bezwaarlijk maken” en aan het nabijgelegen kanaal kon gemakkelijk koelwater worden onttrokken dat later in de Noordzee kon worden geloosd.

In 1957 begon zo de bouw van de grijze stalen koepel. Dat was ruimschoots na de Tweede Wereldoorlog. Maar een tijdlijntje voert tot vóór die oorlog terug. In 1939 schafte het Nederlands ministerie van Defensie tien ton uraniumoxide aan op advies van de Leidse natuurkundehoogleraar Wander de Haas, directeur van het Kamerlingh Onneslab. De yellow cake – vermalen uraniumerts met een uraniumgehalte van 67 procent – werd besteld onder de dekmantel van de Delftse Glasfabrieken (omdat je glas met uranium kunt bijkleuren) bij de Union Minière in Belgisch Congo.

Tijdens de oorlog zou die firma trouwens ook uraniumoxide leveren aan de Verenigde Staten, voor het Manhattanproject, codenaam voor het atoombomprogramma.

Dat fysici zulke bommen zouden kunnen maken, was duidelijk sinds Otto Hahn en Fritz Strassmann in 1938 in Berlijn kernsplijting hadden waargenomen in uranium, en hun uit Duitsland gevluchte collega Lise Meitner had begrepen dat daarbij heel veel energie vrijkomt. Dat ook Duitse fysici hiermee aan de slag zouden gaan, voorzag De Haas in 1939 eveneens. Hij had minister-president Colijn gewaarschuwd: vandaar die 200 vaatjes met yellow cake die per trein in Leiden arriveerden.

Er gebeurde vervolgens niks mee. De hele oorlog lagen ze verborgen in een dichtgemetselde kelder in Delft. „Ze moeten er nog zijn”, schreef De Haas in september 1945. Zijn adviseursrol was intussen overgegaan naar de hoogleraar natuurkunde Hendrik Kramers, die in Kopenhagen nog met quantumfysicus Niels Bohr had gewerkt. Kort na de Amerikaanse atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, in augustus 1945, schreef Kramers minister-president Schermerhorn: vorm een commissie, niet om te onderzoeken of Nederland ook atoombommen kon ontwikkelen, maar om de mogelijkheid te bestuderen „kernenergie [...] economisch nuttig te maken”.

Al op 3 november 1945 kwam die vijfkoppige ‘Commissie voor Atoomphysica’ (in het bezit van het geheime Smyth-rapport over het Manhattanproject, en met kennis van de voorraad uraniumoxide) in Groningen bijeen.

Belangrijkste discussiepunt: moest Nederland een eigen kernreactor (‘zuil’) voor vreedzaam kernonderzoek bouwen? En welk verder onderzoek was nodig? Feitelijk legden ze zo de contouren vast van het naoorlogse natuurwetenschappelijk landschap. Vanaf april 1946 zou de nieuwe stichting Fundamenteel Onderzoek der Materie (FOM) dat fysisch onderzoek coördineren, met Kramers als eerste voorzitter en met kernfysica als speerpunt.

Twee maanden later al richtte FOM het Instituut voor Kernfysisch Onderzoek (IKO) aan de Amsterdamse Kruislaan op, met onder meer een door Philips geleverd cyclotron. Ook zette FOM de bouw van versnellers in Utrecht en Groningen in gang, en liet de stichting Jacob Kistemaker in een nieuw lab aan de Amsterdamse Hoogte Kadijk de yellow cake verrijken (het uraniumpercentage verhogen) tot een bruikbare grondstof voor kerncentrales. Kistemaker slaagde daarin glansrijk – ondanks een Amerikaans embargo op verrijkingsmethoden – en bood het FOM-bestuur in 1953 een buisje met het verrijkte spul aan.

Om andere vakgebieden niet achter te stellen was intussen, in 1947, de nationale en brede onderzoekfinancier ZWO (nu NWO) opgericht. Maar FOM bleef zelfstandig opereren met een snel groeiend budget, waar in toenemende mate ook anderen dan kernfysici van profiteerden. „Was de groei van dat FOM-budget in de jaren zestig niet afgevlakt, maar even snel voortgegaan, dan zou het nu gelijk zijn aan het bnp”, zegt ex-FOM-directeur Wim van Saarloos.

Alleen met de reactor zelf vlotte het niet erg. In het kader van Atoms for Peace (en overigens met uranium uit de VS) begon de bouw dus pas in 1957. Breed gesteund, dat wel: de gelijktijdige tentoonstelling Het atoom op Schiphol, over hoe ‘de wereld van morgen’ op atoomenergie zou draaien, trok 750.000 bezoekers.

Dat optimisme over kernenergie is allang verdampt. Maar de sporen van die eerste voortvarende kernfysici zijn nog altijd zichtbaar. Zo bracht ‘hun’ IKO het Nederlands instituut voor deeltjesfysica (Nikhef) voort, dat een belangrijke rol speelde bij de ontdekking van het Higgsdeeltje. Het Kernfysisch Versneller Instituut in Groningen ontwikkelt nu onder meer protonentherapie om gericht tumoren te vernietigen. Op Kistemakers instituut – nu AMOLF – doen fysici nu succesvol onderzoek aan licht, oppervlakken en biomaterialen, vaak samen met de industrie. En pas dit jaar zal FOM, op instigatie van minister Jet Bussemaker, echt in NWO opgaan om het onderzoeksbeleid te stroomlijnen.

En de reactor in Petten? Die levert nu wereldwijd medische isotopen. Op een bordje in de duinen staat de naam van het bedrijf dat ze verhandelt: Mallinckrodt. Jawel, hetzelfde bedrijf dat in de oorlog ook splijtstof aan het Manhattanproject leverde.