Alsof een boek lezen zo sociaal is

Depressie, radicalisering, egomanie. Alles is tegenwoordig de schuld van internet. Waarom overdrijven die cultuurcritici toch zo, vraagt Sebastien Valkenberg zich af.

Dankzij internet schrijft iedereen, maar niemand leest nog. Wie denkt dat Maarten Huygen, scheidend chef Opinie van NRC Handelsblad, vorige week somber was in zijn afscheidsstuk, vergist zich. Zodra intellectuelen zich uitlaten over nieuwe media houdt de toon doorgaans het midden tussen schril en hysterisch. Zo is dat altijd gegaan en zo gaat het ook nu weer.

Hebben we de afgelopen jaren cultuurcritici gehoord die wezen op de zegeningen van internet en zich waarderend uitlieten over de sociale media? Dan heb ik ze in elk geval gemist.

De grootste alarmist van dit moment is filosoof Hans Schnitzler. In zijn pamflet Het digitale proletariaat (2015) gaat Silicon Valley over de knie. Wat is er allemaal mis? Riemen vast, want de lijst is lang. Er zou sprake zijn van: egomanie, grootheidswaanzin, dwangneuroses zoals twitteritis, exhibitionisme, reaguurdersverkokering, infobesitas, digistress, ontvolgdepressie, digitale dementie.

Saillant, die laatste kwaal – dementie – zou het gevolg zijn van 21ste-eeuwse techniek, maar klonk 2500 jaar geleden ook al. Toen was het de Griekse denker Socrates die de alarmklok luidde. Reden: de introductie van het schrift. Dat zou een aanslag vormen op het geheugen. Nooit meer hoefden we iets te onthouden. Zulke kanttekeningen zijn aan internetcritici nauwelijks besteed. Zo zou je ook haast vergeten dat de verspreiding van het boek tot argwaan leidde. Tegenwoordig staat het symbool voor beschaving, maar destijds vond men dat het diezelfde beschaving juist ondermijnde. Romans en toneelstukken, verdorven genres, kwamen op grote schaal beschikbaar dankzij de drukpers. Wat moest er worden van de jeugd?

Maar voor dit soort relativeringen is geen plaats als je meent dat het vijf voor twaalf is. Zo’n boodschap krijg je er bij het grote publiek alleen in als je die er in ramt. De volumeknop staat derhalve permanent op tien.

Nu is het Schnitzler die van leer trekt, maar vorig jaar was Byung-Chul Han de doemprediker. Ongetwijfeld is er kritiek mogelijk op Facebook, maar in een interview met Vrij Nederland (5 augustus 2014) ging de filosoof in overdrive. De roep om transparantie zou, jawel, totalitaire vormen aannemen. Op zijn beurt had Han ook weer een voorganger, de hersenonderzoeker Manfred Spitzer. Die had eerder aangeraden digitale media te mijden. Daarvan zouden we „dik, dom, agressief, eenzaam, ziek en ongelukkig” worden.

Dus niet: digitale media zouden in sommige gevallen tot een verhoogd risico kunnen leiden tot x – waarbij x staat voor gezondheidsproblemen en/of maatschappelijk leed. Nee, zulke voorbehouden ontbreken doorgaans. Mogelijke verbanden groeien uit tot causale relaties waaraan niemand kan ontsnappen. Dat verklaart de pompeuze stijl die eigen is aan het genre. Extra bevreemdend is dat de critici doen wat ze de digitale cultuur verwijten. Laat ik dit toelichten aan de hand van Geenstijl. Een bijtende kritiek op het internet is incompleet zonder verwijzing naar het weblog. Ook Schnitzler voldoet aan deze wetmatigheid. Geenstijl zou de belichaming zijn van een „schuimbekkend en stampvoetend” burgerschap. Vervolgens doet hij precies datgene wat hij het weblog verwijt. Je krijgt de indruk dat hij met bokshandschoenen achter zijn pc heeft gezeten toen hij zijn boek tikte.

Maar deze onbesuisde toonzetting is nodig, luidt de rechtvaardiging. Grote zaken vragen om grote woorden. Juist, als Geert Wilders zo te werk gaat, wordt hij ter verantwoording geroepen. Zeg daarentegen heel deftig dat je een „hyperbolische denk- en schrijfstijl” hanteert, zoals het in Het digitale proletariaat heet, en je kunt onbekommerd los gaan.

Schrijven zonder rode waas voor de ogen had een evenwichtiger beeld opgeleverd. Dat wil zeggen: inclusief de voordelen die de nieuwe media bieden. Want ja, die zijn er wel degelijk.

Zo was er een tijd dat je voor operaregistraties was aangewezen op de publieke omroep, maar die tijd is voorbij. Gelukkig, want het aanbod wordt alleen maar minder. „Het aandeel van de relatief dure registraties van opera en ballet zal helaas moeten verminderen”, staat er omineus in het Meerjarenplan 2015-2019 van de NPO. Maar wat zou het als je YouTube hebt? Noem een operatitel en hij is hij te vinden via het videokanaal.

Het zou de critici extra deugd moeten doen omdat ze vrezen voor economisering van het leven. De ene keer gaat het dan over de dominantie van de markt, de andere keer weer over het neoliberalisme. Maar internetbedrijven die winst willen maken, dat is verdacht. Het leidt maar tot slaafse consumenten en grauwe eenvormigheid – of „de hel van het gelijke” in de woorden van de eerdergenoemde Han. In theorie dan, want de praktijk laat precies het tegendeel zien.

In plaats van het opera-aanbod op YouTube had ik ook project Gutenberg kunnen noemen, een verzameling van 46.000 e-books. Eén druk op de knop en je haalt zowat de complete canon naar binnen. Voor niets, helemaal gratis, maar daarover hoor je dan weer niets.

Zeker, af en toe heet het dat nieuwe technieken ook best praktisch zijn. Alleen klinkt zo’n opmerking doorgaans nogal obligaat. Na die ene disclaimer gaat het al snel weer over de doem die aanstaande is, zoals de desastreuze effecten op sociale verhoudingen.

Natuurlijk is het reuze irritant als iemand steeds op zijn telefoon kijkt tijdens een gesprek. Maar diezelfde telefoon is juist reuze sociaal als je thuis wilt laten weten dat de trein vertraging heeft. Of om iemand een hart onder de riem te steken – „Succes vandaag!” – omdat hij een examen heeft. Een brief schrijven doe je niet, daarvoor is het middel te zwaar, maar een appje is zo gestuurd.

Daarbij: hoe sociaal is het lezen van een boek eigenlijk? Forenzen die op het schermpje van hun telefoon turen, kunnen doorgaans rekenen op een uitbrander. Maar iemand die zit te lezen – dikke pil op schoot, hoofd gebogen – vormt ook geen uitnodiging voor anderen om een praatje aan te knopen.

De bokaal voor de meest woeste bewering kan echter maar naar één iemand gaan. Die is voor Schnitlzer, als hij zelfs jihadstrijders ziet als bevestiging voor zijn gelijk. Het zou riskant zijn om te lang in ‘cyberspace’ te zijn. Dit zorgt voor frustratie als je weer terugkeert in de realiteit. „Wie toch een doorgewinterd bestaan ambieert […] zal hoe langer hoe meer zijn toevlucht moeten zoeken tot de spektakel- en ‘experience’- industrie of kan zich, in het uiterste geval, aansluiten bij een heilige oorlog.”

Pas dus op voor jongeren die te lang op Facebook zitten of hartstochtelijk gamer zijn. Ze zouden wel eens kunnen afreizen naar Syrië. Na zoveel uitzinnige speculatie dringt de vraag zich op: bestaat er nog een kwaal waaraan internet níet schuldig is?