Zeg me vooral niet dat het wel weer goed zal komen

Wat zeg je tegen iemand in rouw? Facebook-topvrouw Sheryl Sandberg leerde het afgelopen maand na de onverwachte dood van haar man. En ze wil die ervaring delen.

Illustratie Angel Boligan

Een vriend uit mijn kindertijd die nu rabbijn is vertelde me dat het krachtigste éénregelige gebed dat hij ooit had gelezen het volgende is: „Laat mij niet sterven terwijl ik nog leef.” Ik zou dat gebed nooit hebben begrepen voordat ik mijn man Dave verloor. Nu begrijp ik het.

Vandaag is het einde van de sheloshim voor mijn geliefde man – de eerste dertig dagen na zijn dood. Het joodse geloof kent een periode van intense rouw, die bekend staat als de shiva en duurt tot zeven dagen nadat een geliefde is begraven. Na de shiva kunnen de meest gebruikelijke activiteiten weer worden hervat, maar het is het einde van de sheloshim die voor een echtgenote de voltooiing markeert van de religieuze rouw.

Ik denk dat wanneer zich een tragedie voordoet, je kunt kiezen. Je kunt toegeven aan de leegte die je hart vervult, of je kunt proberen op zoek te gaan naar betekenis. Deze afgelopen dertig dagen ben ik op veel momenten verdwaald geraakt in die leegte. En ik weet dat ook veel toekomstige momenten door die enorme leegte zullen worden verzwolgen.

Maar als het maar enigszins mogelijk is wil ik kiezen voor leven en betekenis. En dat is ook de reden dat ik dit schrijf: Ik deel wat ik heb geleerd, in de hoop dat het iemand anders zal helpen. In deze dertig dagen na de dood van mijn man heb ik dertig jaar geleefd. Ik ben dertig jaar droeviger. En ik heb het gevoel dat ik dertig jaar wijzer geworden ben.

Ik ben veel beter gaan begrijpen wat het betekent om moeder te zijn, zowel door de diepte van de pijn die ik voel als mijn kinderen schreeuwen en huilen, als door de band dat mijn eigen moeder met mijn pijn heeft. Zij heeft geprobeerd de lege plek in mijn bed op te vullen, door me iedere nacht vast te houden totdat ik mezelf in slaap huilde. Zij heeft gevochten tegen haar eigen tranen om ruimte te scheppen voor de mijne. Ze heeft me uitgelegd dat de pijn die ik voel zowel die van mij als die van mijn kinderen is, en ik begreep dat ze gelijk had toen ik de pijn in haar ogen zag.

Ik heb geleerd dat ik nooit echt heb geweten wat ik tegen anderen die in nood verkeerden moest zeggen. Ik denk dat ik dat vroeger altijd verkeerd heb gedaan; ik probeerde mensen gerust te stellen dat het wel weer goed zou komen, en dacht dat hoop het meest troostende was wat ik kon bieden.

Een vriend van mij met kanker in een laat stadium zei dat het ergste dat mensen tegen hem konden zeggen was dat het wel weer goed zou komen. Dan schreeuwde een stem in zijn hoofd: hoe weet je dat het wel weer goed zal komen? Begrijp je dan niet dat ik wel eens dood zou kunnen gaan?

Ik heb deze afgelopen maand geleerd wat hij heeft geprobeerd me bij te brengen. Echte empathie is soms juist niet volhouden dat iets wel weer goed zal komen, maar erkennen dat dat misschien niet zo is. Als mensen tegen me zeggen: „Jij en je kinderen zullen weer gelukkig worden”, zegt mijn hart tegen me: ja, ik zal gelukkig worden, maar ik weet dat ik nooit meer echt blij zal zijn.

Ik heb geleerd dat ieder kleed waar je op staat zonder enige waarschuwing onder je vandaan getrokken kan worden. Ik heb geleerd om hulp te vragen – en heb geleerd hoeveel hulp ik nodig heb. Tot nu toe ben ik de oudere zus, de COO, de doener en de planner geweest. Maar ik heb dit niet gepland, en toen het gebeurde, was ik niet bij machte om veel te doen.

Mijn naasten namen het over. Zij planden, zij organiseerden, zij vertelden me waar ik moest gaan zitten en herinnerden me eraan dat ik moest eten.

Weer aan het werk gaan was mijn redding, een kans om me nuttig en verbonden te voelen. Maar ik ontdekte al snel dat zelfs die banden waren veranderd. Veel van de mensen met wie ik werkte hadden een blik van angst in hun ogen als ik eraan kwam. Ik wist waarom – ze wilden me helpen, maar wisten niet goed hoe. Moet ik het zeggen of niet? En als ik het zeg, hoe doe ik dat dan?

Ik besefte dat ik, om de band met mijn collega’s te herstellen die altijd zo belangrijk voor me is geweest, ze binnen moest laten. En dat betekende dat ik opener en kwetsbaarder moest zijn dan ik ooit had willen zijn. Ik zei tegen degenen waar ik het nauwst mee samenwerk dat ze mij hun eerlijke vragen mochten stellen en dat ik dan zou antwoorden. Zich openlijk uitspreken kwam in de plaats van bang zijn om het verkeerde te zeggen en te doen.

Tegelijkertijd zijn er momenten waarop ik de mensen niet kan binnenlaten. Ik ben naar school gegaan, waar kinderen hun ouders in het klaslokaal hun werkjes laten zien die aan de muur hangen. Veel andere ouders probeerden oogcontact met me te maken of wilden iets troostends zeggen. Ik keek de hele tijd omlaag zodat niemand in mijn ogen kon kijken, uit angst dat ik in zou storten. Ik hoop dat ze het hebben begrepen.

Ik heb geleerd dankbaar te zijn. Ik kijk iedere dag naar mijn kinderen en ben blij dat ze leven. Ik waardeer iedere glimlach, iedere knuffel. Toen een vriend tegen me zei dat hij een hekel heeft aan verjaardagen en daarom de zijne niet vierde, keek ik hem aan en zei door mijn tranen heen: „Vier je verjaardag, verdorie. Je moet blij zijn met iedere verjaardag.”

Mijn volgende verjaardag zal bijzonder deprimerend zijn, maar ik ben vastbesloten die in mijn hart méér te vieren dan welke eerdere verjaardag ook.