Ze omhelst wel je tand, maar niet je hart

Hoe kan het dat er zo duidelijk delen van je lichaam zijn waar je je wel en niet aan hecht? Onlangs werd de tweede en laatste helft van mijn verstandskiezen verwijderd. Dat was even pijnlijk op de stoel van de chirurg, maar het leverde naderhand geen gevoel van gemis op.

Eens werd een ontplofte blinde darm uit mijn buik gezogen. Nooit heb ik gerouwd om het verlies van dat wormvormig aanhangsel. Maar wanneer de littekens van mijn blindedarmoperatie ineens zouden verdwijnen (voor de beelddenkers: drie subtiele sneetjes in een driehoek verspreid over de buik), dan zou ik ze best een beetje missen. Niet omdat ze mooi of nuttig zijn; het gaat puur om uiterlijke gewenning.

Toch is zichtbaarheid niet allesbepalend. Stel dat ik een röntgenfoto van mijn gebit zou laten zien: de gaten aan weerszijden van mijn kaak genereren waarschijnlijk geen sympathie of anderszins specifieke emoties. Mocht een flinke fik of ander penetrerend geweld er echter voor zorgen dat er niets meer van me over bleef, dan zou datzelfde klakkeloos beschouwde gebit mijn baken van identiteit vormen. Wanneer vingertoppen immers onleesbaar gewond zijn, word je herkend aan je tanden.

Ik vind het prettig dat ze in het ziekenhuis of bij de tandarts slechts een heel specifiek deel aan jou belangrijk vinden. Het is een geruststellend idee dat er iemand bestaat die dat doorgaans ongeziene deel van jou met zoveel aandacht benadert. In persoonlijke relaties hoop je daarentegen meestal op aandacht voor het geheel. Ik heb een vriendin die heel goed is met duidelijk fysiek leed. Betreft het een minder aanwijsbare pijn – van een chagrijnige bui tot rouw om een sterfgeval – dan stokt de steun en verzorging ineens.

Ze omhelst wel je tand, maar niet je hart, dreunde het pathetisch door mijn hoofd nadat de verstandskies was getrokken en zij, heel lief, met ontsmettingsmiddel en pijnstillers aan mijn bed stond.

Een collega had het zo druk dat hij zei: „Ik wens een auto-ongeluk.” Zo diep gezonken was zijn hoop op een geldig excuus.

Een op de vijf Nederlanders ervaart in haar of zijn leven een depressie. Voor het onderzoek luidde de definitie van depressie: ‘ten minste twee weken (…) een neerslachtige stemming’.

Vriendin L. zou willen dat haar donker maar twee weken duurde. Zodra het een beetje beter gaat, vult haar leven zich vlug tot normaal – ze maakt de brievenbus weer open, betaalt belasting en werkuren worden opgeschroefd. Zodra het slechter gaat, zijn die dingen – letterlijk – te ver van haar bed. Maar je komt er naar de buitenwereld toe niet mee weg als je zegt: het gaat gewoon niet, ik blijf liggen.

Het zijn de dagen dat ze zegt: „Ik wou dat ik een gebroken been had.”

Er bestaat een ondoorgrondelijke rangorde in het begrip voor verlies en pijn.