Redder van de Jordaan

Hij was journalist, Nieuw Linkser, wethouder, burgemeester, Landdrost van de Zuidelijke Flevopolders en vooral een man met veel extreme tegenstrijdigheden. Hoe kwam dat?

Koningin Beatrix enHan Lammers op weg naar de onthulling van het monument van Jan Wolkers op de dijk bij Lelystad, 1996
Koningin Beatrix enHan Lammers op weg naar de onthulling van het monument van Jan Wolkers op de dijk bij Lelystad, 1996 Foto Vincent Mentzel

Als Han Lammers in 1972 was afgetreden als Amsterdams wethouder, was hij de geschiedenis ingegaan als ‘de redder van de Jordaan’. Toen hij zonder enige bestuurlijke ervaring in 1970 aantrad als wethouder van Publieke Werken, zette hij al gauw een dikke streep door de plannen van zijn voorgangers om een groot deel van de Jordaan te slopen. De ex-journalist Lammers (1931-2000), die in 1966 een van de voormannen van Nieuw Links in de PvdA was geworden, zag niets in de verandering van de dichtbebouwde, 17de-eeuwse arbeiderswijk in een modernistische buitenwijk vol ‘licht, lucht en ruimte.’

Maar na 1972 verdween Lammers’ weerzin tegen de sloopplannen voor de Amsterdamse binnenstad waar de dienst Publieke Werken al decennialang mee bezig was. De machtige ambtenaren wisten hem ervan te overtuigen dat de ‘zieke’ binnenstad alleen kon worden genezen door een rigoureuze ‘reconstructie’, schrijft historicus Herman de Liagre Böhl die eerder onder meer Amsterdam op de helling (Boeken, 19.03.2010) schreef over de Amsterdamse stadsvernieuwing in de jaren zeventig en tachtig. De sloop van de oude Nieuwmarktbuurt voor de aanleg van de metro zette Lammers dan ook met grote voortvarendheid door. Hij trotseerde het verzet van buurtbewoners, monumentenzorgers en krakers en kreeg zo de reputatie van ‘Han de sloper’.

Regent

In de uitvoerige beschrijving van zijn turbulente jaren als wethouder signaleert De Liagre Böhl nog een tournure die Lammers toen maakte. Van een journalist en Nieuw Linkser die zich in onder meer De Groene Amsterdammer had gekeerd tegen het (politieke) ‘establishment’ veranderde hij in korte tijd in een regent die vond dat stadsvernieuwing een zaak was van de gekozen gemeenteraad en niet van de buurtbewoners. Uiteindelijk leidde deze opvatting tot zijn ondergang als wethouder. Het verzet tegen de stadsvernieuwing werd steeds groter en heftiger en mondde ten slotte in 1975 uit in de legendarische Nieuwmarktrellen die zo gewelddadig waren dat de verantwoordelijke wethouder een jaar later het veld moest ruimen.

Zijn aftocht als wethouder betekende niet het einde van Lammers als bestuurder. Nog in 1976 werd hij benoemd tot Landdrost van de Zuidelijke Flevopolders. In de nieuwe, grotendeels nog lege polders bleek de regent Lammers beter op zijn plaats dan in het turbulente Amsterdam. Hij slaagde erin om de polder waar de ambtenaren van de Rijksdienst IJsselmeerpolders almachtig waren te veranderen in een provincie als alle andere, met gekozen provinciale en gemeentelijke besturen. Later werd hij burgemeester van Almere en in 1986 Commissaris van de Koningin van de toen nieuwe provincie Flevoland.

In zijn zakelijke maar levendige biografie, die hoofdzakelijk bestaat uit een beschrijving van Lammers’ journalistieke, politieke en bestuurlijke werk, laat De Liagre Böhl zien dat de tegenstelling tussen opstandige Nieuw Linkser en regenteske bestuurder niet de enige was die Lammers wist te overbruggen. Zo was hij als journalist en Nieuw Linkser een verklaard tegenstander van de monarchie, maar raakte hij als landdrost van Flevoland bevriend met koningin Beatrix en prins Claus, tegen wier huwelijk hij, fel anti-Duits als hij was, in 1966 nog onoverkomelijke bezwaren had gehad.

Een vat vol tegenstrijdigheden, noemt De Liagre Böhl Lammers dan ook. Nu is dit natuurlijk een kwalificatie die voor bijna ieder mens geldt, maar in het geval van Lammers zijn de tegenstellingen wel erg talrijk en extreem. Als socialist was hij begaan met het lot van de ‘kansarmen’ en zorgde hij er bijvoorbeeld voor dat de omvangrijke zigeunerfamilie Romanov in Flevoland kon neerstrijken. Maar naar zijn twee dochters uit zijn eerste huwelijk met Caroline Euwe, dochter van de beroemde schaker Max Euwe, keek hij niet om. Na zijn scheiding in 1959 belde hij niet eens op als ze jarig waren. Pas toen hij later opnieuw was getrouwd, werd het contact met ze hersteld, al bleef het moeizaam.

Een dubbele paradox

Toch vonden zelfs zijn politieke tegenstanders hem een sociale, charmante man. Bijna iedereen wist hij voor zich in te nemen. Zo kreeg hij niet alleen als bestuurder maar ook als rokkenjager veel voor elkaar. Maar tegelijkertijd was hij afstandelijk en gereserveerd en wist hij zich met intieme relaties geen raad. Hij was een dubbele paradox, schrijft De Liagre Böhl: ‘Enerzijds was hij een eenling die slechts zelden alleen was, anderzijds was hij iemand die snel mensen voor zich wist te winnen en aangenaam gezelschap was, zonder veel van zichzelf bloot te geven.’

Pas in het slotwoord probeert De Liagre Böhl Lammers’ ‘dubbele paradox’ te verklaren. Veel van Lammers’ tegenstrijdigheden zijn terug te voeren op zijn gereformeerde jeugd en vooral op de Tweede Wereldoorlog, weet hij. ‘Het verraad en de slapheid van veel hooggeplaatste Nederlanders bezorgden hem een onvervalst wantrouwen tegen het establishment.’ Bovendien moest de puber Han een groot deel van de oorlog zonder zijn ouders doorbrengen. Zijn vader, ook een journalist, zat wegens bijdragen aan verzetsblad Vrij Nederland in de oorlog lange tijd gevangen, zijn moeder werd depressief. Zoon Han werd ondergebracht in gastgezinnen in Den Haag en Aalten. Door zijn moeilijke jeugd kreeg Lammers niet alleen een ‘sociaal vaardige persoonlijkheid, maar ook een groot wantrouwen jegens mensen’. Zo ontstond zijn levenslange neiging om zich af te zonderen, het liefst boven in een kerk om zich te wijden aan zijn grote liefde: het orgelspel.