Ook zorgen lijken kleiner aan de top

Kom kijken hoe de stad er van boven uitziet, schrijft Raoul de Jong. Dan zie je hoe nietig we zijn: we lijken op mieren.

Foto tessa smit

Om meteen maar met de deur in huis te vallen: ik zit nu achter een bureau voor een raam met uitzicht op niets: de topjes van drie hoge flats en een strakblauwe lucht. Af en toe vliegt er een meeuw langs. Heel dichtbij. Want sinds gister woon ik waar de vogels vliegen: in een kraaiennestje, zoals mijn nieuwe buurman Eric Dullaert het noemt, op de bovenste etage van een wederopbouwflat naast station Maashaven.

Eric Dullaert, de man die van Wassenaar naar Rotterdam-Zuid verhuisde, was een van de kleurrijke mensen die ik de afgelopen maanden bezocht voor ‘de bovenste etage’, een serie over het leven aan de top van de verticale stad Rotterdam. Dat het leuk zou worden om die serie te maken was meteen al duidelijk, wat ik niet verwacht had was hoeveel invloed de serie zou hebben op mijn leven.

Ik heb mijn hele leven in Rotterdam gewoond en als je je hele leven op dezelfde plek woont, kan het lijken of je naar de andere kant van de wereld moet vliegen voor wat spanning en avontuur. Maar naar de topjes van onze gebouwen klimmen bleek als het maken van een negentiende-eeuwse ontdekkingsreis: ik ontdekte een nieuwe wereld door naar mijn eigen stad te kijken vanuit een nieuw perspectief.

Van bovenaf naar de stad kijken, is kijken naar de stad zoals een architect naar de stad keek boven zijn tekentafel. Je snapt hoe de dingen werden zoals ze zijn, dat achter alles een idee zit, een verhaal, een visioen. Dat niet alles altijd is geweest zoals het is en ook niet altijd zo zal blijven.

Je snapt hoe briljant wij mensen zijn: die hele stad daar beneden hebben wij gemaakt. Tegelijk maakt het je bewust van onze nietigheid: we lijken op mieren. Mensen zijn klein, de dingen waar we ons zorgen over maken nog kleiner. Dat zie je boven. Dus vergeet je je zorgen en praat je over grote dingen. De mensen die je boven tegenkomt voelen al heel snel aan als vrienden. Boven begrijp je dat je in hetzelfde schuitje zit, dat je elkaar nodig hebt om groot te worden.

Rotterdam van boven is een ervaring, iets wat je voelt in je lichaam en je geest. Of zoals Sjarel Ex, de directeur van Boijmans, dat zei, terwijl we met trillende benen in een bakje bovenop een hoogwerker stonden: „De stad van boven is een aanvulling die de stad verdient.”

Maar hoe hoger je komt, hoe rustiger het wordt. Dat was een van de dingen die me opvielen: het is stil aan de top, je vindt er slechts een handjevol hoge pieten, dromers en avonturiers.

Omdat je geld, geluk of een wekelijkse rubriek in een krant nodig hebt om bovenin te komen? Of omdat de meeste mensen, net als ik voor ik aan deze serie begon, wellicht niet beseffen hoe leuk het daar is?

Dat laatste, zeggen architect Joep Klabbers (45) en moderator Léon van Geest (44), initiatiefnemers van de Rotterdamse Dakendagen. Léon: „De stad van boven hoeft geen exclusieve ervaring te zijn, voor iedereen is ruimte aan de top, maar die ruimte wordt nauwelijks benut.” Joep: „In Rotterdam is zo’n 15 miljoen vierkante meter plat dak, allemaal in het centrum, maar niemand doet er iets mee. En dat is zonde.”

En dus gingen Joep en Léon op avontuur in onze bovenstad, op zoek naar de mooiste daken van Rotterdam om die van 11 tot 14 juni open te stellen voor het grote publiek. Ze vonden er veertig. Elk dak geeft een ander beeld van de stad.

Het dakterras van Hotel Atlanta bijvoorbeeld. Ooit een openbare bar en de hang out van de Rotterdamse kunstenaarssociëteit, tegenwoordig alleen verhuurd voor feestjes en partijen. Je proeft er iets van het vooroorlogse Rotterdam, van de allure die onze stad ooit had.

Op het dak van architectenbureau TomDavid sta je tussen de iconen, de reuzen van Rotterdam: de Laurenskerk, het Potlood, de Markthal. Maar vanaf dit dak ben je zelf een reus, waardoor de andere reuzen niet groot en imponerend zijn, maar grappig, schattig bijna, als een toneeldecor, een vrolijke bende.

Op het privédakterras van architect Joost Kühne, bovenop een gebouw dat Joost Kühne zelf ontwierp, word je omringd door hogere gebouwen. Je hoort de Witte de Withstraat om de hoek. En toch ben je ineens heel dicht bij de lucht.

En op het dak van het Delftse Poortgebouw sta je hoog, héél hoog. Het waait er, keihard. Rotterdam ligt als een kruimeltje aan je voeten. Achter Rotterdam ligt Delft, achter Delft ligt Den Haag en achter Den Haag ligt de zee. Terug op de grond loop je anders door de straten. Die zijn mooier geworden, want je hebt de uitweg gezien.

Tijdens de Rotterdamse Dakendagen zullen op sommige daken dingen gebeuren: een concert of een schildercursus of een filmvertoning. „Maar de daken zelf zijn de hoofdattractie”, zegt Léon. „En wat zo’n dak met je doet.”

Om te eindigen waar we begonnen: ook het dakterras voor mijn nieuwe huisje kunt u tijdens de Rotterdamse Dakendagen bezoeken. Als u het aandurft om omhoog te klimmen, beloon ik u in mijn huiskamer met een glaasje punch. Want van alle dingen die ik aan de top van onze verticale stad ervoer, was dit waarschijnlijk het leukst: hoe mooi mensen zijn. Hoe aardig, edel, wijs en nobel, als we elkaar de kans geven om dat te laten zien.