Na de growshops zijn er nu de ijssalons

Er zijn plots te veel ijssalons. En dus wil het college diversiteit afdwingen. „We moeten de openbare ruimte delen.”

Wethouder Kajsa Ollongren: „Het is allemaal meer van hetzelfde.”
Wethouder Kajsa Ollongren: „Het is allemaal meer van hetzelfde.” Foto Robin Utrecht

Wethouder Kajsa Ollongren (Economische Zaken, D66) presenteerde deze week de nota Stad in balans, met plannen om de toenemende drukte in Amsterdam in goede banen te leiden. Een van de voorstellen in de nota is het „doorbreken van de monocultuur door sturing op een gedifferentieerd aanbod”. Over welke monocultuur gaat het dan? De wethouder licht toe: „In het centrum zijn in heel korte tijd enorm veel ijswinkels en kaaswinkels gekomen. Ze hebben de plaats ingenomen van de souvenirshops die we net weg hadden gekregen. Je staat erbij en je kijkt ernaar. Het is allemaal meer van hetzelfde, een verschraling van het aanbod. Je komt uit het station en loopt de stad in. Word je dan gelukkig van het aanbod? Nee, niet. En juist in het centrum wil je diversiteit. Dat maakt de buurt aantrekkelijk voor bewoners én bezoekers.”

Welke krachten zijn hier aan het werk?

„Veel partijen hebben daar een rol in. Winkeliers. Verhuurders van de winkelpanden. Kennelijk maken zij de berekening dat ze goed geld kunnen verdienen waar veel bezoekers op één plek komen. Wij proberen hen, onder meer via onze straatmanagers, te laten zien dat ze misschien wel snel geld kunnen verdienen aan een massapubliek, maar dat de stad en zijzelf op termijn belang hebben bij diversiteit, bij verschillende soorten winkels. Dat hoor ik niet alleen van bewoners, maar ook van ondernemers.”

Wat kan de gemeente daar tegenover stellen?

„Daarvoor moeten we samenwerken met de ondernemers. Wij krijgen meer bedrijfsinvesteringszones in de stad. Een soort winkeliersvereniging waarbij – als er voldoende draagvlak is – alle ondernemers in de straat of de buurt verplicht meedoen. Die ondernemers hebben misschien geen rechtsmacht, maar wel een gemeenschappelijk belang. De straatmanager fungeert dan als makelaar.

„Juridisch gezien is het bestemmingsplan ons voornaamste instrument. Bij het project 1012 in het Wallengebied hebben we er ervaring mee opgedaan. Daar geldt een ‘keerklep-regeling’: als een souvenirwinkeltje of een massagesalon sluit, mag er geen nieuwe voor in de plaats komen.”

Je kunt ook op grond van die ervaring zeggen: sinds ‘1012’ heeft op de Wallen de ene monocultuur (kaas en ijs) de andere (massagesalons en growshops) vervangen.

„Daarom zeg ik: het is een kwestie van balans. Het moet in overleg.”

Kan de gemeente de kaas- en ijsbranche aan een vergunningen- regime onderwerpen?

„Dat zou een interessante zijn. Kan dat? Die ijswinkels vallen niet onder de horeca. Dus ze mogen wel ijs verkopen, maar geen wafels bakken. Daar handhaven we op.”

Datzelfde geldt voor de veel gesmade bierfiets. „Rond de zomer komt er duidelijkheid”, schrijft u. Dan gaat u ze wel of geen vergunning meer geven.

„We hebben met de exploitanten om tafel gezeten en afspraken gemaakt. Er zijn heel serieuze aandachtspunten. Ze veroorzaken overlast, verkeersopstoppingen, openbare dronkenschap. Lukt het hun om dit te keren? Zo niet, dan kan het niet meer.”

Het zijn gewoon ondernemers die een doelgroep zien. Zij verwachten steun, geen tegenwerking van liberale partijen als VVD en D66.

„Wij moeten hun belang afwegen tegen de belangen van de stad. We moeten de openbare ruimte delen. En delen vergt dat je toegeeft dat je niet alles overal wilt en kunt hebben.”

U stimuleert de komst van ‘kwaliteitstoeristen’. Wie zijn dat níét?

„De grote groepen, die heel kort door de stad worden gejaagd. Die een dag of soms maar een dagdeel in Amsterdam zijn en heel weinig geld uitgeven, behalve in die souvenirwinkeltjes.

„Wij zien meerwaarde in de bezoekers van meerdaagse congressen in de RAI. Die zijn langer hier en hebben wat te besteden.”