Mulisch’ sympathie voor Castro nam alleen maar toe

Rudie Kagie leest elke week een ‘fout’ boek over een politieke leider die inmiddels op de mestvaalt van de geschiedenis is beland. Vandaag: Fidel Castro.

Illustratie Pepijn Barnard
Illustratie Pepijn Barnard Illustratie Pepijn Barnard

Tijdens het klimmen der jaren was zijn bewondering voor Fidel Castro alleen maar toegenomen, bekende Harry Mulisch kort voor zijn dood in 2010 in een interview. Dat zijn sympathie voor el líder máximo niet door iedereen werd begrepen, deerde hem niet, zoals veertig jaar eerder de koele ontvangst van zijn meest omstreden boek Het woord bij de daad hem evenmin uit de slaap had weten te houden. „Relaas van een ijdeltuit”, oordeelde het Algemeen Handelsblad destijds. „Koloniale nostalgie”, vond W.F. Hermans. „Het Cuba van Mulisch bestaat niet”, wist Renate Rubinstein. „Een kinderachtig en verward boek”, schreef De Telegraaf.

Na intensieve bezoeken in 1967 en 1968 had Mulisch de volksrepubliek Cuba zo’n beetje tot paradijs op aarde verheven. Hij prees Castro om diens „zware, atletische gestalte” en signaleerde bij de leider een lichte verlegenheid, „wat ook de laatste vrouwen verliefd op hem doet worden”. De auteur refereerde aan vertrouwelijke onderonsjes met het staatshoofd waar hij niet over mocht berichten omdat het vertrouwelijke onderonsjes waren.

Dat de adoratie van Mulisch meer dan een literaire pose was, werd in 2008 bevestigd toen een Nederlandse toerist bij een boekwinkeltje in Havana voor drie peso’s een door de auteur gesigneerd exemplaar van Het woord bij de daad op de kop tikte, voorzien van een Spaanstalige opdracht: ‘Opgedragen in bewondering aan commandant Fidel Castro, die met zijn Cubaanse volk een sprong voorwaarts heeft gemaakt, niet van honderd maar van duizend jaar!’

Vriend en vijand erkenden het recht van Mulisch om over Cuba en Castro te schrijven wat hij wilde. Toch zou zijn sympathie voor het regime hem drie jaar na publicatie van zijn lofzang in de problemen brengen. De dichter Heberto Padilla was wegens een onwelgevallig kwatrijn voor 37 dagen in het gevang beland, maar werd vrijgelaten nadat hij zich – vermoedelijk onder dwang – van zijn poëtische dwaling had gedistantieerd. De gang van zaken was voor eminente Cubasympathisanten als Jean-Paul Sartre, Vargas Llosa en Susan Sontag aanleiding om een scherp protest te laten horen, maar Mulisch weigerde hun petitie te ondertekenen. Aan deze al dan niet vermeende halfhartige opstelling zou hij vaker worden herinnerd dan hem lief was. In 1992 schreef Stephan Sanders in zijn Volkskrantcolumn dat Mulisch de opsluiting ‘billijkte’ en dat Padilla ‘nog ruim de tijd kreeg om vertrouwd te raken met zijn gevangenisbewaarder’. Mulisch reageerde furieus en dreigde na veertig jaar op te stappen bij de Bezige Bij als daar de aangekondigde bundel De buitenwacht met verzamelde columns van Sanders zou verschijnen. Dat boek kwam er inderdaad, zonder problemen en het gewraakte stuk over Padilla stond er gewoon in. Mulisch scheen de kwestie vergeten te zijn. Er zouden nog twee romans van hem bij de Bezige Bij verschijnen. Uiteindelijk was het allemaal maar literatuur.