Laat ons betalen, zeggen Shell en BP

Zes grote Europese energieconcerns pleiten voor een hogere prijs voor CO2-uitstoot. Dat is minder gek dan het lijkt, want de bedrijven willen zekerheid over het energiebeleid.

Productiecomplex van het Duitse staalconcern ThyssenKrupp in Duisburg, dat veel broeikasgassen uitstoot.
Productiecomplex van het Duitse staalconcern ThyssenKrupp in Duisburg, dat veel broeikasgassen uitstoot. Foto Frank Augstein / AP

Meestal zijn het milieugroepen en klimaatstrijders die vinden dat er stevige afspraken moeten worden gemaakt over het terugdringen van broeikasgassen, zoals kooldioxide, die de aarde opwarmen. Daarom was er enige verbazing toen deze week uitgerekend Shell, BP en vier andere Europese energiereuzen pleitten voor een serieuze prijs voor CO2-uitstoot.

De oliemaatschappijen vroegen regeringsleiders om op de grote klimaattop in december in Parijs alles te doen om te zorgen dat de vervuiler voortaan meebetaalt aan de ‘rotzooi’ die hij de atmosfeer inblaast: sluit een klimaatakkoord waardoor de uitstoot van kooldioxide geld gaat kosten. Zó veel geld, dat bedrijven worden geprikkeld om hun uitstoot te verminderen.

1 Waarom is een serieuze koolstofprijs belangrijk?

Het voorkomen van klimaatverandering is zo ingewikkeld, dat de wereld er na twee decennia onderhandelen nog steeds niet in slaagt om de uitstoot van broeikasgassen echt te verminderen – terwijl dat de manier is om de almaar voortgaande opwarming te voorkomen. In sommige landen, met name in Europa, daalt de uitstoot weliswaar, maar wereldwijd stijgt die nog steeds. Meer dan goed voor ons is.

Als we zo doorgaan stevenen we volgens klimaatwetenschappers af op een temperatuurstijging van misschien wel 3 tot 4 graden Celsius tegen het einde van deze eeuw. Terwijl op eerdere klimaatconferenties is besloten dat het niet meer dan 2 graden warmer zou mogen worden om ernstige economische en maatschappelijke schade te voorkomen.

Een koolstofprijs (dat wil zeggen: betalen voor de uitstoot van broeikasgassen) maakt het aantrekkelijk om zuinig te zijn met brandstof en om over te stappen op schonere energievormen. Zo is het stoken van kolen voor het opwekken van elektriciteit veel goedkoper dan gas. Maar die kolencentrales zorgen wel voor veel meer kooldioxide dan gascentrales (ongeveer het dubbele). Een elektriciteitsmaatschappij die flink moet betalen voor de kooldioxide (CO2) die vrijkomt, zal eerder overstappen op gas – of liever nog op wind- en zonne-energie waarbij helemaal geen kooldioxide vrijkomt.

2 Hoeveel zou een ton CO2 moeten kosten?

In de Europese Unie is in 2005 een handelssysteem ingevoerd voor kooldioxide. Bedrijven krijgen (en tegenwoordig: kopen op veilingen) het recht om een bepaalde hoeveelheid kooldioxide uit te stoten. Een emissiecertificaat geeft het recht op de uitstoot van 1 ton CO2. Als ze rechten overhouden, mogen ze die verkopen aan bedrijven die tekortkomen.

Deze handel in emissies levert vanzelf een marktprijs op. Althans, in theorie. Maar omdat de Europese landen in het begin scheutig waren met het uitdelen van emissierechten, en het energieverbruik (en dus ook de CO2-uitstoot) na 2008 door de crisis fors daalde, hielden bedrijven veel emissierechten over en ontstond een overschot van rond de 900.000 certificaten.

Daaruit blijkt volgens velen dat emissiehandel niet volledig aan de markt overgelaten kan worden. Een beetje sturing, door emissierechten aan de markt te onttrekken, zal waarschijnlijk altijd nodig blijven. In Europa wordt al jaren onderhandeld over het overschot, maar de lidstaten kunnen het maar moeilijk eens worden. Vorige maand is in Brussel afgesproken een groot deel van het overschot in reserve te houden, wat door Jos Cozijnsen, consultant emissiehandel, wordt beschouwd als „een goede eerste stap naar herstel”.

De prijs van een emissiecertificaat schommelt, maar komt al jaren niet meer boven de 10 euro uit. Dat is te weinig om bedrijven echt te stimuleren hun beleid aan te passen. Welke prijs daarvoor wel nodig is, hangt af van het beoogde doel. Natuurlijk is het zo dat alle beetjes helpen, maar volgens Sander de Bruyn, senioreconoom van het onderzoeks- en adviesbureau CE Delft, leidde in 2008 een prijs van 25 euro „in het Verenigd Koninkrijk al tot een switch van kolen naar gas”. Cozijnsen denkt dat de prijs nu hoger moet zijn, eerder rond de 40 euro – zeker als de vraag naar gas in de winter stijgt.

Om hernieuwbare energie zonder subsidie te stimuleren, is volgens De Bruyn een prijs van 80 tot 100 euro nodig. Althans voor energiebedrijven, voor consumenten ligt die prijs lager omdat zij ook profiteren van de terugleververgoeding en de vrijstelling van energiebelasting. De ondergrondse opslag van CO2 kan voor de industrie (chemie en andere bedrijfstakken) mogelijk al economisch rendabel worden bij een CO2-prijs van zo’n 40 euro. Volgens De Bruyn hangt dat er deels van af wie voor die nog niet uitontwikkelde technologie de kosten van de infrastructuur voor zijn rekening neemt.

3 Willen oliemaatschappijen dit echt, of is het voor de bühne?

Veel bedrijven willen dit echt. Zoals de zes maatschappijen in een brief aan de Verenigde Naties schrijven: „We hebben wereldwijd regeringen nodig die zorgen voor helder, stabiel, op de lange termijn gericht, ambitieus beleid. Dat zou onzekerheden verminderen en kunnen bijdragen aan het stimuleren van investeringen in de juiste schone technologie en de juiste grondstoffen op het juiste moment.”

Oliemaatschappijen hebben veel emissierechten nodig, maar zijn bereid een hoge koolstofprijs te accepteren als ze daarvoor zekerheid terugkrijgen. Investeringen in de exploratie van nieuwe oliebronnen worden vaak gedaan voor tientallen jaren. De kosten nemen toe doordat fossiele brandstoffen op steeds ingewikkelder plaatsen gewonnen worden (in het Arctisch gebied en onder de oceaanbodem).

De nieuwe voorzitter van de raad van commissarissen van Shell, Chad Holliday, zei begin dit jaar in een gesprek met deze krant dat Shell intern rekent met een CO2-prijs van ongeveer 40 dollar. „We testen elk project of het rendabel kan worden uitgevoerd met die koolstofprijs. Zo niet, dan gaat het niet door. Een duidelijke prijs voor iedereen zou meer zekerheid bieden.”

In datzelfde gesprek zei Andrew Steer van de milieudenktank World Recources Institute: „Zolang bedrijven op het gebied van klimaat werken met onvoldoende en gebrekkige informatie zal uitstel hun belangrijkste strategie blijven.”

4 Waarom pleiten uitgerekend oliemaatschappijen voor een CO2-prijs?

Een bedrijf als Shell kan ook baat hebben bij een hogere koolstofprijs. „Shell richt zich steeds meer op gas”, zei Chad Holliday in januari. „We pleiten voor strengere richtlijnen om gas op een schone en veilige manier te winnen. Verder bepleiten we ondergrondse opslag van kooldioxide. We zijn dat aan het testen. Doel is: van gas ook op de langere termijn een schone brandstof maken.” Door een hogere CO2-prijs kan gas gemakkelijker concurreren met steenkool.

5 Waarom is het zo moeilijk om hierover afspraken te maken?

Juist door die concurrentie, die speelt op het niveau van bedrijven. Niet alle bedrijven zijn gebaat bij een hoge koolstofprijs, ook als dat voor hen meer zekerheid betekent. De kolenindustrie behoort sowieso tot de verliezers van een internationaal klimaatverdrag.

Daar komt bij dat een maatschappij als Shell (of Unilever, DSM en andere bedrijven die veel CO2 uitstoten) weliswaar individueel een krachtig klimaatbeleid bepleiten, maar dat werkgeversorganisaties vaak veel terughoudender zijn.

De oliemaatschappijen kunnen weten dat hun pleidooi voor een wereldwijde CO2-prijs weinig kans maakt. Veel landen zullen om uiteenlopende redenen bezwaar maken. Australië (groot exporteur van steenkool), Canada (dat zijn zwaar vervuilende teerzanden wil exploreren), Saoedi-Arabië (met een economie die leunt op de olie-export) en veel Oost-Europese landen (met verouderde energiecentrales) vrezen dat een hoge koolstofprijs hen onevenredig zwaar zal treffen. Die gordiaanse knoop is voorlopig nog niet doorgehakt.