Kogelvrij

We reden naar Bos en Lommer met twee kogelvrije vesten in de achterbak. We hadden nog maar een paar minuten. De vesten waren zwaarder dan ik had gedacht en toch gaf me dat geen veilig gevoel. J. had ze net gepast. „Het is raadzaam een paar keer te oefenen met aantrekken voor de noodsituatie zich aandient”, had de man gezegd die ze overhandigde en hoewel we dus haast hadden, dwong ik J. ter plekke om dat te doen, te oefenen, onder professioneel toezicht. Nu het nog kon.

Het duurde best lang en het zag er uiteindelijk ook raar uit, niet zoals Jack Bauer uit 24, waar ik me nogal op verheugd had. Toen hij ook een helm op zette deed hij me nog het meest aan een mannetje van Duplo denken, waar mijn zoontje vaak mee speelt. Dat was niet per se geruststellend. „De belangrijkste kwetsbare delen van uw vriend zijn zo beschermd hoor. Geen zorgen, mevrouw.” Ik zag dat de man deze woorden vooral aan mijn buik richtte. „Zijn er ook lichtere varianten?” vroeg J. terloops. „Hoezo?!! Dit is toch goed?!” Ik schoot mijn woorden. „Marscha, het is gewoon een formaliteit, deze vesten. We hebben ook al die apparatuur bij ons, camera’s, microfoons, weet je wat die wel niet wegen? En het moet ook allemaal in het vliegtuig.”

Er was, helaas, een lichtere variant. Maar omdat J. banger was voor mijn hormonale aanval, gericht op zijn kwetsbare delen, dan voor eventueel rondvliegende granaatscherven, behield hij braaf de zware versie. Ik wist nu al dat hij me over een paar dagen, wanneer hij diep in Oekraïne zat voor werk, vast nog eens zou vervloeken als hij zwetend, stinkend en met rugpijn probeerde om een diepte-interview af te nemen met dat vest aan, maar dat moest dan maar.

In de auto, op weg naar het volgende klusje dat nog gauw voor zijn reis moest gebeuren, waren we stil. „Geinig eigenlijk, hè, Bos en Lommer?” probeerde J. ten slotte. Ik keek op uit mijn waas van doemgedachten en zag een rijschool die ‘Eros’ heette. Om redenen die mijzelf niet geheel duidelijk waren, moest ik daar ineens heel erg om lachen. „‘Bolo’ doet me altijd denken aan Rotterdam. Het is er nieuw, ruim, gezellig en gevarieerd. Levendig.” Ik lulde maar wat en toen ik dat laatste woord uitsprak, werd ik acuut weer somber, maar J. was blij dat ik eindelijk weer wat had gezegd.

We parkeerden bij het stadsdeelkantoor op het Bos en Lommerplein. We waren nog net op tijd. Toen de kogelvrije vesten een paar dagen geleden ter sprake waren gekomen, had ik er ineens op gestaan dat J. voor de zekerheid ‘de ongeboren vrucht’ zoals dat zo onsmakelijk heet, zou erkennen. Op deze korte termijn kon dat alleen nog op stadsdeelkantoor West.

Tien minuten later stonden we weer buiten. Als er nu iets met J. – of met mij – zou gebeuren, was in elk geval duidelijk wie de vader was en welke achternaam (zijne) ons kind zou krijgen. Ook een formaliteit.