Hoe Weimar strandde in Amerika

Denkers uit de Weimarrepubliek, die in 1933 naar de VS vluchtten, leverden daar een concrete bijdrage aan het overheidsbeleid. Ook hielpen ze na 1945 met de opbouw van de democratie in West-Duitsland.

Collage van een Duitse soldaat voor de Rijksdag op 9 mei 1945 en van diezelfde plek in 2015
Collage van een Duitse soldaat voor de Rijksdag op 9 mei 1945 en van diezelfde plek in 2015 Foto’s Laski Diffusion/Getty Images en Sean Gallup/Getty Images

Hele bossen zijn gekapt, zwembaden vol drukinkt vergoten om een antwoord te geven op de vraag hoe het mogelijk was dat een land als Duitsland, toonaangevend op wetenschappelijk en cultureel gebied, onder de nazi’s in korte tijd tot barbarij kon vervallen.

Een vraag die veel minder vaak gesteld wordt, is hoe het mogelijk was dat dit land zich na 1945 weer zo snel kon ontwikkelen tot een vrij keurige democratie, die heel wat beter met de zwarte bladzijden uit het verleden omging dan veel landen die tijdens de oorlog aan de ‘goede kant’ hadden gestaan? Er zijn doorgaans twee verschillende antwoorden op die vraag. Volgens sommigen is dit grotendeels te danken aan de Amerikanen, die niet alleen met hun Marshallhulp het verwoeste Duitsland weer op de been hielpen, maar die ook zwaar hebben geïnvesteerd in de politieke heropvoeding van het land. Anderen wijzen erop dat de Duitsers juist weinig wilden weten van die Amerikaanse inspanningen en dat de West-Duitsers uit schaamte over wat er gebeurd was, en omdat ze zagen dat aansluiting bij ‘het Westen’ economische voorspoed bracht, al gauw de democratie omarmden.

Beide verklaringen hebben gemeen dat ze de Duitse democratie laten beginnen in 1945. In deze verhalen telt de republiek van Weimar (1918-1933) niet mee. Dat was een Republik ohne Republikaner, een democratie die mislukt was omdat er zo weinig democraten waren geweest, zodat die niet bestand bleek tegen de nazi’s. De afgelopen decennia is dit beeld sterk bijgesteld. Steeds meer auteurs wijzen erop dat de eerste Duitse democratie niet noodzakelijkerwijs had hoeven uitmonden in het Derde Rijk. Er waren toen wel degelijk democraten; het land werd niet alleen bevolkt door nationalisten, militaristen en een culturele avant-garde.

Loopbanen

In The Weimar Century gaat de jonge Amerikaanse historicus Udi Greenberg een stap verder. Aan de hand van de loopbanen van vijf Duitse denkers die in de jaren dertig naar de VS vluchtten en daar voor de overheid gingen werken, laat hij zien dat uiteenlopende ideeën die al tijdens de Weimarrepubliek waren ontwikkeld, invloed uitoefenden op het Amerikaanse overheidsbeleid, het denken over de Koude Oorlog en de naoorlogse wederopbouw van Duitsland. Het aardige is dat Greenberg nu eens niet kiest voor freischwebende intellectuelen als Hannah Arendt en Leo Strauss, maar voor minder bekenden.

De politiek filosoof Carl J. Friedrich (1901-1984) probeerde in Duitsland aan te tonen dat democratie niet een verdacht buitenlands product was dat zich niet liet verenigen met het deutsche Wesen, maar dat het voortkwam uit de Reformatie, die in 1517 in Duitsland was begonnen. Al in de jaren twintig probeerde hij in Duitsland een ‘verantwoordelijke elite’ op te voeden, werk dat hij na 1933 voortzette aan Harvard University. Deze universiteit wilde toen nog een ivoren toren zijn.

Friedrich, een van de grondleggers van de totalitarismetheorie, speelde een belangrijke rol bij de transformatie van Harvard tot kweekvijver voor hoge overheidsfunctionarissen. Een van zijn bekendste leerlingen is Henry Kissinger.

Ook de socialist Ernst Fraenkel (1898-1975) en de katholiek Waldemar Gurian (1902-1954) hadden invloed op het Amerikaanse denken over democratie en de gevaren van totalitaire bewegingen als het nazisme en het communisme. Na 1945 speelden zij een rol bij de ontwikkeling van de sociaal-democratische en christen-democratische partijen in de Duitse Bondsrepubliek.

De politicoloog Hans Morgenthau (1904-1980) daarentegen zou vooral invloed uitoefenen binnen de VS, waar hij geldt als de grondlegger van de theorie van het ‘politiek realisme’ in de internationale betrekkingen. Volgens Morgenthau moesten de VS zich niet laten meeslepen door idealistische fantasieën als ‘collectieve veiligheid’ of ‘internationale rechtsorde’, maar hun eigen belangen vooropstellen. Dat hij in de jaren zestig een criticus van de Vietnamoorlog werd was hiermee niet in tegenspraak, omdat hij de ‘wereldwijde kruistocht tegen het communisme’ ook een gevaarlijke vorm van idealisme vond.

Weerbare democratie

Verreweg het meest actuele en relevante hoofdstuk in Greenbergs erudiete en boeiende boek is dat over Karl Loewenstein (1891-1973). Deze staatsrechtsgeleerde wordt namelijk gezien als de grondlegger van het idee van de militant democracy ofwel de ‘weerbare democratie’, een concept dat tegenwoordig vaak opduikt als het gaat om het gevaar van de radicale islam. Wat kan en moet een democratie doen tegen krachten die haar van binnenuit willen ondermijnen?

Uit Loewensteins geschriften uit de Weimar-tijd blijkt dat hij van mening was dat mensen die de democratische rechtsorde niet onderschreven automatisch hun burgerrechten verloren. In 1956 werd onder invloed van zijn denken in West-Duitsland de communistische partij verboden, en in de oorlog speelde Loewenstein een centrale rol in het Amerikaanse Emergency Advisory Committee for Political Defense. Dit bureau coördineerde in Noord- en Zuid-Amerika de klopjacht op ‘subversieve elementen’, waarbij tienduizenden mensen van Duitse of Italiaanse afkomst werden opgesloten in concentratiekampen en later gedeporteerd. In naam van de democratie werden op grote schaal burgerrechten geschonden, terwijl de VS samenwerkten met Latijns-Amerikaanse regimes die met de beste wil van de wereld niet democratisch te noemen waren. De vergelijking met de recente War on Terror dringt zich op, en het is duidelijk dat Loewensteins militant democracy gemakkelijk kon ontsporen en verwerd tot iets dat wel militant, maar niet erg democratisch meer was.