Hoe ruikt dan die natte spinazie?

De C. Buddingh’-prijs voor Nieuwe Nederlandse Poëzie, die volgende week wordt uitgereikt, had dit jaar direct toegekend mogen worden aan één dichter, aldus poëzierecensent Arie van den Berg.

Runa Svetlikova
Runa Svetlikova

Aanstaande donderdagavond wordt tijdens het Poetry International festival in Rotterdam voor de zesentwintigste keer de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut uitgereikt. Dit jaar waren er tweeëntwintig inzendingen, waaruit de jury vier bundels ter nominatie koos.

Op die keuze valt weinig aan te merken – al zou ik hem tot twee bundels hebben beperkt, of de nominaties hebben overgeslagen en de prijs gewoon hebben toegekend. De kwaliteit van de debuutproductie tussen maart 2014 en 31 maart van dit jaar was weinig verrassend. Geen van de vier genomineerde bundels is dan ook in deze krant besproken. Waarom niet? Omdat drie van de vier bij eerste lezing niet ‘aanhaakten’. Er waren geen regels of coupletten die wilden beklijven, en al helemaal geen gedichten die herlezing eisten.

Dit lijkt somberder dan het is. Een debuut is een opstap naar een onvoorspelbare dichterstoekomst. Het dichtwerk van Mark Boog is daar een mooi voorbeeld van. In 2001 kreeg hij de Buddingh’-prijs voor Alsof er iets gebeurt. In mijn welwillende bespreking (Boeken, 24.11. 2000) van die debuutbundel concludeerde ik dat de thematiek mij te smal leek voor een tweede bundel. Dat was misplaatst pessimisme; vijf jaar later won Boog de VSB Poëzieprijs.

Rens van der Knoop

Maar hier en nu is er geen aanleiding om echt optimistisch te zijn over het dichtwerk van Rens van der Knoop. Twee mannen spreken elkaar onopgemerkt aan is door de uitgever gepresenteerd als een genadeloos zelfonderzoek. Die formulering roept vragen op. Wat moet een lezer met zo’n persoonlijke analyse? Zo persoonlijk is Van der Knoops poëzie ook niet. Het werk is wel op de dichter zelf gericht, maar het idioom wemelt van vervagende voorzetsels als ‘on-’ (zoals in de titel), en ‘zonder’, en ook anderszins is veel anoniem of wezenlijk onbepaald.

Bij sommige verzen krijg ik de indruk dat er geknipt en geplakt is, waardoor een brandpunt ontbreekt. Een gedicht als ‘Torens’ is veelbelovend, maar een zeldzaam pareltje. Een enkele keer is er een fraaie beeldspraak zoals ‘een man op zijn rug, in een vijver / die wacht op een wolk die vallen wil’. Daartegenover staat poëtasterij zoals ‘een zwerm mensen / en andere vogels’ en ‘als een zeldzaam stuk rijm / dat een wereld kan scheppen’.

Saskia Stehouwer

Ook in Wachtkamers van Saskia Stehouwer zijn de beelden soms niet adequaat. Wat moet ik ruiken bij ‘de geur van natte spinazie’? Staat de groente in de regen op het veld, of ligt ze warm in de pan? Dat lijken flauwe huis-, tuin- en keukenvragen, maar ze passen heel goed bij de tamelijk huishoudelijke poëzie van Stehouwer. Haar bundel staat vol sympathieke gedichten, maar ik las die zoals ik andermans fotoalbum bekijk. Vrijblijvend dus. Ook bij Stehouwer ontbreekt soms een scherpe focus. Bijvoorbeeld in het gedicht ‘Rupsband’. Grammaticaal zijn in de achttien regels daarvan dertien onderwerpen opeenvolgend in actie. In proza is zo’n perspectivische chaos verwoestend – in poëzie niet minder.

Maar dit is een uitzonderlijk voorbeeld. In veel andere gedichten neemt het alledaags gebekte parlando van Saskia Stehouwer de lezer aan de hand. En soms is er een stevige greep, zoals in het openingscouplet van ‘Boodschappen’: áls je het been van een paard mag strekken / als je door het haar van een cello strijkt / voel dan dat je ver van huis bent / en dat dit de brieven zijn van je familie’. Dat raakt.

Jeroen van Rooij

Van de vier genomineerden is Jeroen van Rooij de conceptualist. Niemand had er enig idee van wat er aan de hand was is doelbewust gecomponeerd. Drijfveer in het mechaniek is een reeks zakelijke beschrijvingen van standbeelden in verschillende woonplaatsen, van Sandusky, Ohio tot en met Santiago de León de Caracas. In de verzen daaromheen is meer nog dan bij Van der Knoop geknipt en geplakt, en ook hier wisselen de onderwerpen zich vaak in recordtempo af.

Van Rooij zal zijn weg, denk ik, via de Amerikaanse language poets hebben gevonden. De betekenis is doorgaans secundair; de dichter toont ambachtelijk collagewerk. Kundig is het zeker. Verraderlijk onpersoonlijk ook, al suggereert de afdeling ‘Wat er aan de hand was’ het tegendeel. Dat komt vooral doordat elke regel daarvan quasi-persoonlijk opent met ‘Ik herinner me’. In zijn Verantwoording bedankt Van Rooy echter vierentwintig vrienden voor hun tekstbijdragen. Het idee van deze voor een performance geschreven tekst is, aldus Jeroen van Rooij, een idee van Willem-Bongers-Dek, maar dat is maar ten dele waar. ‘Wat er aan de hand was’ is een regelrechte navolging van Je me souviens (1978) van de Franse dichter Georges Perec.

Runa Svetlikova

Ook Deze zachte witte kamer van Runa Svetlikova lijkt de echo van een eerder meesterwerk. In de aantekeningen achter in haar bundel meldt de dichter echter dat ze Totaal witte kamer van Gerrit Kouwenaar niet gelezen heeft. Lezing van haar debuutbundel wekt ook geen reminiscentie aan Kouwenaars oeuvre.

Svetlikova’s gedichten zijn persoonlijk in iedere betekenis van dat woord. Ze heeft een eigen idioom, is zelf aangenaam aanwezig in haar teksten en hanteert daarbij toch vanzelfsprekend de vaktermen van natuurkunde en genetica. Haar beeldspraak is direct en, hoe origineel ook, alledaags. ‘Gelukkig is’, schrijft ze bijvoorbeeld, ‘een leven niet groter dan het blikveld van een oude kat die zich / oppervlakkig ademend steeds kleiner oprolt tot ze in zichzelf verdwijnt.’

Waarom heb ik deze poëzie vorig najaar over het hoofd gezien?

De ingehouden ontroerende cyclus over Svetlikova’s vader, ‘De gebruiker van dit lichaam’, is de bundel al waard. De dichter dwarrelt van betekenis naar betekenisloosheid en raakt in haar veelvoudig portret van de ‘werkelijkheid’ aan de zin van het zinloze. Maar dit etiket is prietpraat vergeleken bij de eenvoud en directheid van de formuleringen in Deze zachte witte kamer.

De jury van de Belgische Herman de Coninckprijs zag een krachtig talent en bekroonde het debuut van Runa Svetlikova. De jury van de C. Buddingh’-prijs 2015 zal niet anders doen, hoop ik.