Het vertrouwen van de Kamer in Van Rijn is opnieuw minder

Ook het CDA wil nu dat staatssecretaris Van Rijn opstapt. Maar hij heeft nog net voldoende steun.

Van Rijn gisterenmiddag, tijdens het pgb-debat.
Van Rijn gisterenmiddag, tijdens het pgb-debat. Foto Martijn Beekman/ANP

Zijn pgb-houders en zorgverleners die wachten op hun geld gediend bij een vertrek van staatssecretaris Martin van Rijn (Volksgezondheid, PvdA)? Ook na het zesde debat in ruim vijf maanden over de uitbetaling van persoonsgebonden budgetten vindt een meerderheid van de Tweede Kamer van niet. Maar het wantrouwen is opnieuw gegroeid.

Eenderde van de Kamer vroeg gisteren na het debat het vertrek van Van Rijn. De motie van SP, CDA en Groenlinks kreeg steun van PVV, Partij voor de Dieren, 50Plus en Groep Bontes/Van Klaveren. Hun hoop dat ook D66 zich daarbij zou aansluiten, bleek ijdel. Wel was de afweging „een dubbeltje op zijn kant” geweest, zei Pia Dijkstra (D66).

Van Rijn zou eigenlijk twee weken geleden al voor de Kamer zijn verschenen. Maar het debat werd uitgesteld, nadat D66-leider Alexander Pechtold tegen vicepremier Lodewijk Asscher (Sociale Zaken, PvdA) had gezegd dat hij overwoog het vertrek van de staatssecretaris te vragen.

Schuldbewust

Nu Van Rijn alsnog zijn beleid verdedigde, leek hij wat schuldbewuster dan in het vorige debat. Zo zei hij voor het eerst dat het „achteraf gesproken” geen goed besluit was het nieuwe systeem met uitbetaling via de Sociale Verzekeringsbank (SVB) in te voeren op 1 januari. „Waarom denkt u dat ik mijn excuses heb aangeboden?” Maar ook vroeg hij zich af of de alternatieven dan beter waren geweest. „Ik waag dat te betwijfelen.”

Van Rijn wees de Kamer erop dat zij mede hebben besloten over het systeem, dat volgens hem steeds beter werkt. Hij gebruikte daarbij enkele keren de woorden „met elkaar”, wat voor irritatie zorgde bij de oppositiepartijen. „Dat wekt de indruk alsof hij impliciet zegt: je had het allemaal wel kunnen weten”, zei Linda Voortman (GroenLinks).

En juist het gebrek aan informatie werd Van Rijn het meest ten laste gelegd. De oppositie schetste het beeld van een staatssecretaris die rapporten te laat of niet verstrekt, niet met zekerheid kan zeggen hoeveel pgb-houders nog op hun geld wachten en een te rooskleurige kijk heeft op de omvang van de problemen. „Het komt op mij over dat de staatssecretaris op dit moment harder knokt voor zijn eigen positie dan voor mensen die afhankelijk zijn van zorg”, zei Kamerlid Renske Leijten (SP).

Dat vonden ook de pgb-houders op de publieke tribune. Zij hadden gehoopt op wat meer inzicht in het systeem en de uitbetalingen, maar moesten zich tevreden stellen met de toezegging van Van Rijn dat het indienen van zorgdeclaraties eenvoudiger wordt gemaakt.

Het CDA, dat in maart een motie voor een vertrek Van Rijn nog niet steunde, wilde dat niet afwachten en stemde nu wel mee. D66 voelde minder voor een „politieke afrekening” en besloot na een „worsteling” in de fractie de staatssecretaris nog een kans te geven, zei Kamerlid Dijkstra.

Het voordeel van de twijfel, voor Van Rijn was het voldoende. Hij sprak van een „zwaar en pittig” debat. „Ik ben blij dat de Kamer mij de gelegenheid geeft de problemen voor budgethouders stap voor stap op te lossen.”