Eigentijdse Dickens op zoek naar ‘industrieel terrorisme’

De verontwaardiging na de brand van een textielfabriek in Dhaka was groot destijds. Dat mechanisme doet zich in het Westen steeds voor bij industriële rampen. Verandert er daarna ook echt iets?

Seabrook verbindt de koloniale East India Company met kledinggiganten als Benetton, Walmart of Primark
Seabrook verbindt de koloniale East India Company met kledinggiganten als Benetton, Walmart of Primark ‘Hashdags’ Amsterdam uit fotoproject Exactitudes van Ari Versluis & Ellie Uyttenbroek

‘Haar vingers zijn moe en doen pijn / De oogleden rood en zwaar / Een vrouw in kapotte kledij / Met in de hand naald en draad / Naaien! Stikken! Naaien! Stikken! / In armoede, honger en vuil / En steeds met droefheid in de stem / Zingt ze het Lied van het Hemd’.

Nee, dit is geen klaagzang op de textielfabrieken in Bangladesh, het zijn de openingsregels uit het gedicht ‘The Song of the Shirt’ van Thomas Hood uit 1843. Hij schreef hierin somber over het lot van de linnenfabrieksarbeiders in Engeland. Maar, zo maakt onderzoeksjournalist Jeremy Seabrook duidelijk in zíjn The Song of the Shirt: er is in ruim anderhalve eeuw weinig veranderd. Hij werkt dat idee uit door parallellen te trekken tussen de fabrieksarbeiders in Bangladesh en elders in de wereld.

In China wordt 1,66 dollar per uur betaald, in India 52 dollarcent, maar een fabrieksarbeider in Dhaka moet het doen met 18 dollarcent per uur (er zijn andere cijfers dan de bedragen die Seabrook noemt, maar over het algemeen zijn dit de verhoudingen).

In 1913 is er in het Britse Zuid Wales een gasexplosie in een mijn. Alle 439 mijnwerkers komen om. De eigenaren worden vervolgd en moeten een boete betalen, die in tweede instantie ruim gehalveerd wordt. Wanneer de grootste verontwaardiging over het ongeluk voorbij is en er geen sentimentele en sepiakleurige foto’s meer gemaakt worden van de weduwen met hun kinderen, zijn de eigenaren vrij om te staan waar ze willen.

Honderd jaar later brandt er een kledingfabriek af in Dhaka, de hoofdstad van Bangladesh. Er komen 1100 mensen om, ruim 2500 raken gewond. De verontwaardiging is groot en de regering – die voor zeventig procent van de export afhankelijk is van de kledingfabrieken – besluit de fabriekseigenaren te vervolgen.

Ze worden opgepakt wanneer ze de grens met India proberen over te steken waarna hun verwaarlozing van het gebouw ten laste wordt gelegd. Veel gebeurt er niet, het is wachten tot de verontwaardiging in de media een beetje is geluwd.

Is er dan niets veranderd? Ja hoor, schrijft Seabrook. De doden zijn geen mannen meer, maar vooral vrouwen en kinderen, het aantal is wat hoger en de locatie is verplaatst. Verder passen de ongelukken op het pad dat naar de rijkdom genomen moet worden. Zowel het ongeluk uit 1913 als uit 2013 zijn het resultaat van wat hij ‘industrieel terrorisme’ heeft gedoopt.

Het zijn de historische parallellen die The Song of the Shirt interessant maken. Niet alleen tussen verschillende rampen (Seabrook maakt meer vergelijkingen tussen recente rampen en ongelukken een eeuw geleden in de westerse wereld, en schrijft over hoe in de 18de en 19de eeuw iedereen juist meer hemden van Britse makelij ging dragen in plaats van de toen vermaarde katoenen hemden uit Bangladesh) en verbindt de koloniale East India Company met kledinggiganten als Benetton, Walmart of Primark.

Vloerbedekking

Als een hedendaagse Dickens bezoekt Seabrook kledingfabrieken in het Bengaalse gebied (alleen in Dhaka zijn er al 2500), vertelt over de kinderen die hij aan het werk ziet, de angst voor brand, de troosteloosheid van het platteland waardoor iedereen naar de stad trekt, et cetera. Soms ook persoonlijker, zoals over een grootmoeder die op de veranda van een rijke man mag slapen, een jonge man die in de stad wil blijven omdat hij heeft ontdekt wat seks is, een jongen die als een sisyphus vlekken uit de vloerbedekking van een hotel moet boenen. Waar bij Dickens aan het slot vaak nog iemand wordt gered, blijft de toekomst bij Seabrook somber. Hij geeft geen oplossingen, maar observeert, moraliseert, zet de hypocrisie neer van zowel het Westen en de regering in Bangladesh die er alle belang bij heeft om de industrie in tact te laten.

In het toekomstperspectief ziet Seabrook het grootste verschil tussen de Industriële Revolutie in Europa en Bangladesh nu: de boeren die in de fabrieken gingen werken hadden twee eeuwen geleden nog de illusie dat dit hun nieuwe, permanente leven zou zijn. Fabrieksarbeiders in Bangladesh koesteren die hoop niet, ze weten dat zodra elders arbeid goedkoper is, ze brodeloos zijn. Dat kan je winst noemen, stelt Seabrook cynisch. Toch is zijn boek niet cynisch, maar vooral een pijnlijke monografie over een gebied waar bewoners of de zee of de fabrieken in worden gedreven. Blijven ze dienaars van de globalisering, ‘vodden van de mensheid’ of gaan we waarde van mens en natuur inzien, vraagt Seabrook zich tot slot af? Het zijn onbevredigende slotvragen, want Seabrooks antwoorden zijn dan allang duidelijk.