Waarom bevruchting bij de mens zo vaak mislukt

Foto Zuzana Holubcová en Melina Schuh

Hier ontstaateen menselijke eicel. De blauwe gloed markeert de buitenmembranen van twee bijna gedeelde cellen. De grote cel is over 24 uur een eicel die bevrucht kan worden, de uitstulping rechtsboven (het poollichaampje) is dan verschrompeld en verdwenen. De grijze vlekjes zijn de chromosomen die over de twee cellen verdeeld worden. Normaal worden de chromosomen gelijktijdig uit elkaar getrokken door spoeldraden (hierboven roze gekleurd), maar soms blijft er eentje achter. In het ergste geval ontvangt de eicel zo een chromosoom te weinig of te veel. Dat is bijvoorbeeld het geval bij trisomie-21, de oorzaak van het syndroom van Down. Maar meestal zijn eicellen met chromosomen te veel of te weinig niet levensvatbaar.

Bij mensenvrouwen, ook bij jonge, komen zulke chromosoomafwijkingen veel vaker voor dan bij andere dieren. Waar ligt dat aan? Om dat uit te zoeken, ontwikkelden celbiologen uit Cambridge een techniek om delende eicellen live onder de microscoop volgen. Ze bekeken meer dan 100 onrijpe eicellen die waren overgebleven in een Britse ivf-kliniek.

Vandaag beschrijven de biologen hun resultaten in Science. Bij muizen ontstaan spoeldraden snel en nauwkeurig, binnen vijf uur, uit twee spoelcentra. In menseneitjes groeien spoeldraden warrig en traag, in 16 uur, rond de chromosomen. De spoeldraadjes zijn rommelig aan chromosomen gehecht, waardoor er vaak eentje achterblijft als de chromosomen uit elkaar bewegen.