Opinie

Een wachtlijst voor zelfmoordaanslagen

De eerste broeder lijkt te zijn gevallen. Nadat we gisteren hoorden dat Jermaine bij een bombardement om het leven was gekomen, reed ik met Ahmet Olgun naar de Blauwvoetstraat in Amsterdam-West om Redouan te spreken. Redouan is een oude bekende. We ontmoetten hem toen we na de moord op Theo van Gogh zelf op zoek gingen naar de leden van de Hofstadgroep.

Redouan is de broer van Fahmi, die werd veroordeeld voor lidmaatschap van een terroristische organisatie. Na de arrestatie van zijn broer radicaliseerde hij. Voor Ahmet en mij bleef hij jarenlang een gids in de wondere wereld van geestelijk leiders en huiskamerbijeenkomsten. Vorig jaar schreven we het boek Broeders over hem en zijn vrienden.

Elke keer als we met Redouan ontmoeten, is het spannend hoe hij eruitziet. Zal hij nog een baard hebben? Ja dus, al zitten er inmiddels een paar grijze haren in. Hij draagt een zwarte Afghaanse jas. Op zijn hoofd een zwart gehaakt mutsje, aan zijn hand zijn zoontje van vier. „De kleur van IS”, zegt hij lachend.

We gaan op een bankje zitten bij de Turkse moskee aan het einde van de straat. Zijn zoontje rent naar het klimrek. Ik vertel Redouan dat Jermaine waarschijnlijk is omgekomen. Jermaine is een vriend van hem. Vorig jaar had hij nog gezegd dat hij jaloers op hem was, omdat Jermaine wel en hij niet naar het kalifaat was afgereisd. Zijn zieke vader houdt hem hier.

Zijn mond valt open, zijn ogen worden groot. „Echt?”

Hij kijkt even voor zich uit. Zijn zoontje botst bij het klimrek hard tegen een meisje op een fietsje. Met een stijf been loopt hij terug naar zijn vader.

„Hij mag van mij niet huilen”, zegt Redouan.

„Mag jij ook niet huilen om Jermaine”, vraagt Ahmet.

Redouan lacht. „We smeken God dat we zo snel mogelijk bij hem mogen zijn”, zegt hij. „Doea heet dat in het Arabisch. Hij is een martelaarsdood gestorven.”

En zijn vrouw en kinderen? „Die zijn in goede handen.”

„Jermaine was een rustige jongen”, zegt hij. „Serieus, niet onbezonnen.”

Redouan betwijfelt of Jermaine door een bombardement is getroffen. Via zijn Arabische Twitter-account blijft hij op de hoogte van het aantal doden. Elke katiba, een zestigkoppige gevechtseenheid, raakt dagelijks acht tot tien strijders kwijt, zegt hij. Maar er sneuvelen weinig strijders door bombardementen, de meeste doden vallen bij man-tegen-mangevechten in steden, zoals nu aan het front bij Aleppo in Syrië. Drie tot vier per dag door zelfmoordaanslagen. „Martelaarsoperaties”, noemt Redouan die.

Kan Jermaine door een zelfmoordaanslag zijn omgekomen? Hij schudt zijn hoofd. „Er is een wachtlijst van anderhalf jaar voor zelfmoordaanslagen”, zegt hij. „Iedereen wil wel.”

Er zijn nu, denkt hij, 100.000 IS-strijders. De meesten zijn bekeerde sunnieten uit Irak en Syrië. „Ze gaan allemaal vrijwillig”, zegt hij. Jaja, vrijwillig, dat zal wel, zeggen wij. Hij knikt.

Zelf zou hij nog steeds naar het kalifaat willen. „Hijra”, een heilige reis. Zoals de blinde Somaliër uit Groningen die pas geleden ging. Zal het er van komen? Hij staat op, neemt zijn zoontje op de arm en loopt weg, naar het huis van zijn vader.