Dag Hank, hou moed ook als je straks op de stoel zit

De onverschrokken verslaggever Linda Polman verschijnt op de breuklijnen van de 21ste eeuw. Als een eenpersoons waarnemingsmissie begeeft zij zich naar oorlogs- en catastrofegebieden. Heilige huisjes en vrome diplomatieke beleefdheden zijn niet veilig onder haar alziend oog. Met journalistiek bravoure stapt zij door tot zij de kale werkelijkheid met eigen ogen heeft gevonden.

Polman maakte internationaal furore met haar boek De Crisiskaravaan, een aanklacht-reportage over de internationale noodhulpindustrie. In Ik zag twee beren beschreef zij de achterkant van grote VN-missies waar grootmachten zich van bedienen, lang niet altijd vrede brengend in het getroffen land of gebied. Met een zelfde voortvarendheid pakte ze nu een ander hardnekkig probleem aan: de rechteloze nederwereld van ter dood veroordeelden in de Verenigde Staten. Altijd een willig onderwerp voor een geëngageerde reportage, maar voor een heel boek eist het thema een flinke dosis geschiedenis, sociologie en politieke context wil het iets toevoegen aan de vele studies die al over het onderwerp zijn geschreven.

De VS bevinden zich met de doodstraf in gezelschap van landen als Iran, China, Noord-Korea, Saoedi-Arabië en Irak. Steeds meer staten beginnen te twijfelen nadat groepen vasthoudende journalisten en activisten meer dan eens hebben aangetoond dat de straf te vaak zonder deugdelijk bewijs is toegemeten. Wie arm is maakt bovendien veel meer kans op een slechte advocaat en een veroordeling dan wie een goede advocaat kan betalen.

Polman filmt met woorden. Zij doet niet aan analyse van deze ontwikkelingen. Via Europese vrouwen die zich het lot van bewoners van death row aantrokken vindt zij een weg naar de gevangenisdorpen en cellen in Texas. Dat betekent eindeloze correspondentie met vergetenen, mooi-haveloze scènes, rauwe emoties en gezinnen die de werken van jarenlange barmhartigheid van hun vrouw en moeder niet meer volgen.

‘Beste Hank, mijn naam is Guikje en ik ben een 40-jarige vrouw. Ik hou van thrillers. Ik weet niet goed wat ik nu verder moet schrijven, want ik weet niet waar je het wel of niet over wilt hebben. Misschien wil je helemaal niet met me corresponderen, dus ik wacht tot ik antwoord van je krijg. Ik wens je intussen moed en sterkte.’ Bij het schetsen van deze twee soorten verworpenen – de vaak ten onrechte veroordeelden en hun weldoensters – zou een bijna literaire tekst kunnen ontstaan. Dat gebeurt niet. Taal is niet echt Polmans ding. De hele reportage lijkt gemonteerd in een verveloze wachtruimte. ‘Voorbij een bocht staat daar opeens death row weer. Een titanisch ruimteschip, in het verder aardeduistere Texas verblindend verlicht door gele en witte lichtbundels uit schijnwerpers en stadionlampen.’