Clubgevoel EU groeit weer door economie

Het was gezellig in Riga. In een filmpje op sociale media zien we hoe Jean-Claude Juncker tientallen hoge gasten ontvangt op een EU-top met de oosterburen. De Commissiebaas omarmt presidenten, kust premiers (mannen het liefst op een kale schedel), keurt stropdassen en deelt tikken uit – de Luxemburgse buitenlandminister krijgt een oorvijg, de hoogste graad van affectie.

Naast hem kijken de Letse gastvrouw Laimdota Straujuma en Europees-Raadsvoorzitter Donald Tusk gegeneerd toe. Als Viktor Orban zijn opwachting maakt, mompelt Juncker: „Daar komt de dictator…” En dan zegt hij het de Hongaarse premier ook recht in het gezicht: „Hallo, dictator!” Beiden lachen.

Werkt deze lichaamspolitiek? Misschien wel. Deze week liet Orban weten dat hij afziet van zijn controversiële plan de doodstraf te herinvoeren. Uit Berlijn en Brussel was hard verzet gekomen. Afschaffing van de doodstraf was een voorwaarde voor EU-toetreding.

Na herinvoering zou Hongarije zeker zijn stemrecht verliezen, aldus Junckers nummer twee Frans Timmermans, en mogelijk uit de Unie worden gezet. Orban bond in. De grondnorm van de club werd hersteld.

Gezellig was het ook op het Catshuis vorige week, tijdens Camerons bezoek aan premier Rutte. Ze waren het over veel eens. ‘Mark mag hem David noemen’, meldde deze krant. Dat zegt nog weinig. Alle Europese regeringsleiders noemen elkaar bij de voornaam. Het gezelschap zit frequent om dezelfde tafel, als kring van gelijken. Wie in eigen land verkiezingen won, al is het in Malta of Estland, verdient respect. Thuis is het al eenzaam genoeg aan de top. Cameron was in Den Haag vanwege op een tournee die hem ook in Warschau (bij ‘Eva’), Kopenhagen (bij ‘Helle’) en uiteraard bij ‘Angela’ en ‘François’ bracht. Aan de vooravond van dit Britse offensief om Brusselse macht af te perken, lanceerden Duitsland en Frankrijk nieuwe plannen voor de eurozone. De timing was toeval maar de pers zag nieuws. ‘Gezamenlijk front van Merkel en Hollande tegen Cameron’, kopte Le Monde. Het omgekeerde is waar. Het zijn twee speelborden: markt-Europa en munt-Europa. De Britse regering wil een markt met minder regels, maar bepleit al sinds 2011, in het belang van de pond, meer eurozone-integratie. Vertrouwensherstel in de euro is van hier uit de beste bijdrage aan het Britse referendum. In het algemeen wensen Engelsen niet tot een club van losers te behoren. Daarom deden ze ook eerst niet mee met de Europese markt: alle oprichters hadden of de oorlog verloren (Frankrijk, Benelux) of waren fout geweest (Duitsland, Italië). Omgekeerd kwamen ze pas opdraven toen de markt toch werkte. Evenzo zwol de roep om Brexit aan in de jaren 2010-2012, toen de eurozone als een hartpatiënt op de operatietafel lag. In de beeldvorming werd het hele continent een blok aan het Britse been. Onder die druk beloofde Cameron in januari 2013 zijn referendum.

Inmiddels is de situatie veranderd. De economie trekt aan. Dit jaar groeien de 28 EU-economieën allemaal – met dank aan de lage olieprijs, een zwakke euro en de agressieve geldpolitiek van de Europese Centrale Bank. Tegelijk laten de laatste peilingen zien dat het vertrouwen in de EU opkrabbelt, ook in Groot-Brittannië. Sinds het dieptepunt in 2013, na vijf jaar banken- en eurocrisis, is in alle zes grootste lidstaten een opgang ingezet, aldus het Amerikaanse instituut PEW deze week. Maar het blijft kwetsbaar. In Frankrijk stijgt de werkloosheid. De Duits-Franse druk om meer als eurozone te doen zal aanhouden. Voor Nederland is dit lastig: we helpen de Britten graag met hun marktplannen, maar aarzelen bij Frans-Duitse muntplannen. En, in tegenstelling tot David, wij zijn lid van beide clubs.