Aaien, vastbinden, slaan. Meer aaien, weer slaan. Aaien!

Wie zegt dat er geen vooruitgang is in de literatuur? Toen E.L. James drie jaar geleden een sadomasochistisch-getroebleerde relatie beschreef vanuit vrouwelijk perspectief, kregen we drie delen Vijftig tinten grijs. Nu is er Grey, hetzelfde verhaal vanuit mannelijk gezichtspunt, dat in één deel blijkt te vatten.

Dat is voer voor gendertheoretici en goed nieuws voor de literatuurliefhebber: meer tijd om ándere belangrijke boeken te lezen. En het wordt nog beter, want in een ijzerhandel vond ik het oermanuscript van Grey. Dat luidt zo: ‘Ik Christian, jij Ana. Christian stinkend rijk. Christian coup de foudre, naar doe-het-zelfzaak. Weer Ana! Christian verliefd. Christian Ana aaien. En slaan, want Christian ingewikkeld. Christian contract maken om te slaan. Ana moeilijk doen. Christiaan slaan! Christiaan toch klein hartje. Christian geil. Christian Ana vastbinden. Christian slaan! Ana huilen. Ana weg. Ana terug. Christian moeilijke jeugd. Sneu. Christian Ana aaien. Slaan! Aaien! Christian gevoelens. Hoe verder? Waar is mama Christian? Enge vrouw! Christian slaan! Christian aaien! Christian bindingsangst. Meer vastbinden! Slaan! Aaien! Christian getemd. Menswording Christian. Met Ana. Christian vreemde man. Maar nog steeds stinkend rijk, gelukkig.’

Klaar! Nu opent zich een zomer vol leestijd. Waar te beginnen? Gelukkig heeft zich een gids opgeworpen: De schrijver als hoofdpersoon, een onlangs verschenen essaybundel van Cees Nooteboom. Zoals alle schrijvers van zijn statuur heeft Nooteboom een zeker vermogen om zichzelf te bewonderen, maar in tegenstelling tot nogal wat collega-wereldschrijvers is hij ook een ruimhartig bewonderaar van anderen. Zo opent het boek met een mooi vijftig jaar oud stuk over de Ierse toneelschrijver Brendan Behan. Over de eerste ontmoeting, op straat in Ibiza: ‘Voor mijzelf had ik vastgesteld dat dit een Belgische slager met vakantie was.’ Volgt een liefdevol in memoriam, want de briljante Behan dronk zich dood. In een geestige ‘Europese fabel’ (1989) komen tientallen personages uit de Europese literatuur in een café bijeen, inclusief een ‘door Borges verzonnen Shakespeare, die zo merkwaardig leek op de echte’. Nootebooms liefde voor Borges is aanstekelijk, zeker als hij zich verbeeldt hoe een lezer diens zijn notitieboeken binnenstapt, ‘die plotseling niet meer van papier zijn maar eerder op een reusachtig ongeorganiseerd labyrint lijken’. Die omschrijving geldt ook voor de op het oog losjes samengestelde bundel, maar juist in een doolhof maken schatten die je aantreft indruk.

Hoogtepunt is één moment in een Parijs’ interview met W.F. Hermans uit 1977. Nooteboom: ‘Is het niet zo dat jij je ten opzichte van Nederland meer als een zoon gedraagt dan als een burger?’ Dat is scherp geformuleerd, in het grijze gebied tussen observatie en belediging. Hoe reageert Hermans, de gestaalde polemist? Hij staat met de mond vol tanden.