‘Ik fotografeer de rebellie van kids’

Ryan McGinley brak door met rauwe snapshots van zijn New Yorkse vrienden. Nu cast hij modellen voor zijn roadtripfoto’s van naakte jongeren in de vrije natuur. Kunsthal Kade toont een overzicht van zijn werk.

Foto Roger Cremers

Ryan McGinley was een tijd geleden bij een boekhandel in New York, waar hij een fotoboek van Mike Brodie kocht, een rauw verslag van diens zwerversbestaan door Amerika. Toen hij afrekende vertelde hij aan de kassamedewerker hoe goed hij dat boek vond. Die reageerde enthousiast: „Ja hè? Zo puur. Zo echt. Niet zoals die fakebeelden van die andere fotograaf… hoe heet-ie ook alweer… Ryan McGinley.”

McGinley zelf kan er smakelijk om lachen als hij de anekdote vertelt. Hij is in Kunsthal Kade in Amersfoort, een dag voor de opening van zijn tentoonstelling. Overal wordt nog druk getimmerd en gesjouwd. McGinley zelf is voortdurend in de weer met zijn mobiele telefoon: hij filmt en fotografeert de ruimte, de werkmannen, hoe zijn foto’s erbij hangen. Alles wat hij zegt en doet wordt ook nog eens gefilmd door een assistent. „Misschien dat ik ooit nog een documentaire maak met al dit materiaal, een soort making-of.”

Ryan McGinley (New Jersey, 1977) maakte naam met Celebrating Life – snapshotachtige foto’s van jonge, naakte mensen in de ongerepte natuur van Amerika. Uitgelaten rennen ze door bloemenvelden of springen ze van de zolder van een hooischuur – de armen en de benen gestrekt tegen een helderblauwe hemel. Ze zwemmen in bergmeertjes of rollen van een hoge berg af – waarbij hun bleke lichaam één wordt met het rulle zand.

McGinley borduurde met deze roadtripfoto’s voort op The Kids Are Alright, waarmee hij in 2000 doorbrak – foto’s van zijn skatende, blowende, drinkende, vrijende vriendengroep in New York. Jongeren die lak hebben aan de wereld. Tussen die twee series is één belangrijk verschil: waren de jongeren in The Kids Are Alright nog echt zijn vrienden, in Celebrating Life werden modellen ingehuurd voor die paar ‘spontane’ weken on the road en dat ultieme gevoel van rebelse vrijheid.

De kassamedewerker noemde uw foto’s fake, wat vindt u daarvan?

„Eigenlijk zegt hij dat mijn foto’s niet authentiek zijn. Daar heeft hij gelijk in, in die zin dat ik geen documentaire foto’s maak van het leven zoals zich dat aandient. Ik creëer een wereld. En die wereld is niet echt. Wel echt is dat we met een groep jonge mensen de natuur in trekken. Als we daar zijn, laat ik alles zoveel mogelijk los. Er ontstaat vanzelf actie en interactie. Soms geef ik aanwijzingen: ga daar eens staan of kom eens mee naar die waterval. Maar niet alles is geregisseerd.”

Is authenticiteit belangrijk voor u?

„Nee. Ik leg de werkelijkheid niet vast zoals een documentair fotograaf dat doet. Natuurlijk is het belangrijk dat ik een authentieke stem heb. Maar ik creëer een fantasiewereld, iets waar je even in kunt vluchten. Zie het als Game of Thrones. Heerlijk, je kunt een tijd verpozen in een ander universum. Maar het is niet het echte leven.”

Raakt de kritiek u?

„Al bij The Kids Are Alright waren er mensen die het fantastisch vonden en mensen die het verschrikkelijk vonden. Het was zo snappy, zo rauw en ongecontroleerd. Veel mensen waren sceptisch, dachten dat ik een eendagsvlieg zou zijn. Ik denk niet dat ik verder had kunnen werken als ik me er veel van aangetrokken had. Ik leg vast wat ik mooi en bijzonder vind. Het lichaam, de energie, de rebellie, de seksualiteit van jonge mensen.”

U was op uw 25ste de jongste kunstenaar ooit met een solo in het Whitney Museum. Nu heeft u hier een retrospectief op uw 37ste. Hoe is dat?

„Ik was erg aangedaan toen ik hier naar binnen liep en al mijn werk zo bij elkaar zag. Mijn oude vriendengroep uit New York hangt hier, onder wie de kunstenaar Dash Snow, die in 2009 overleed aan een overdosis. Ik heb met alle mensen op deze foto’s intensief opgetrokken, soms maandenlang. De foto’s uit de serie Yearbook zijn van mensen met wie ik omga: ontwerpers, schilders, beeldhouwers, fotografen, dichters. Het is mijn leven dat hier hangt. Maar mijn succes baart me ook zorgen.”

Hoezo?

„Soms ben ik bang dat op een dag zal blijken dat de wereld genoeg heeft van mijn werk. Dat het allemaal ophoudt. Angst is een van mijn grootste drijfveren. Daarom werk ik zo hard. Ik wilde per se niet zo worden als mijn vader, een man die elke dag naar zijn van-negen-tot-vijfbaan ging. Ik was altijd al een rebels kind en toen ik merkte dat ik homo was, werd mijn levenspad echt anders. Dat geijkte scenario, dat je verliefd wordt op een meisje, een gezin gaat stichten, was niet meer op mij van toepassing. Ik verslond kunstboeken in die tijd, romantiseerde het kunstenaarsleven en wilde er deel van uitmaken. Dat is gelukt. Ik heb lang een plan B gehad – als het allemaal misgaat, dan word ik leraar – maar na zestien succesvolle jaren begin ik te geloven dat het wel goed zal komen.”

Wat vindt uw vader van uw werk?

„Hij leeft niet meer, maar hij zou het geweldig vinden dat ik hier mijn geld mee kan verdienen. Mijn moeder zegt altijd: ‘Ik vind het mooi, maar ik zou het fijn vinden als de mensen op je foto’s gewoon kleren aan zouden hebben.’”