Gezicht

Wie was ik en ben ik? In een serie korte verhalen onderwerpt schrijver Nicolaas Matsier zich aan een zelfonderzoek.

Illustratie Cyprian Koscielniak
Illustratie Cyprian Koscielniak

Kan men zichzelf kennen? Een beetje misschien, op den duur. Toch niet meteen al, zou je zeggen. Kent een baby die in huilen uitbarst zichzelf? Weet de baby wat eraan mankeert? Of wordt daar een inwendig signaal automatisch omgezet in een sirene ter attentie van de kleine vertrouwde buitenwereld? Als de baby lacht, is dat dan om bijval te krijgen of geeft de baby te kennen dat zij of hij het naar de zin heeft?

Zijn het de anderen met behulp van wie men zichzelf leert kennen? Een schoolvriend, die later acteur werd, maakte me tijdens een duinwandeling duidelijk hoe voorovergebogen ik liep. Ik keek ervan op, was hem dankbaar, en ben sindsdien beter mijn best gaan doen. Ik loop nu niet meer als iemand die alle hoop heeft laten varen.

Een andere vriend in mijn gematigd sombere studententijd had het over mijn gekwelde kop. Had ik ook geen idee van. Niet dat ik mijzelf tot de vrolijksten rekende, maar een gekwelde kop? Gelukkig schreef hij me een rijk introspectief leven toe. Het begrippenpaar extravert en introvert schoot me in die tijd te hulp, daarmee deelde ik voortaan de mensen in, en ik was nu eenmaal introvert, dat kon ik ook niet helpen.

Is een gezicht dan zoveel als een open boek? Hoeft een ander maar een blik op jou te werpen om te weten hoe de vlag erbij hangt? Is niet alleen je stemming van het moment, maar misschien zelfs je hele verleden zichtbaar in je lichaamstaal en in je expressie? Is degene die je geworden bent een soort landschap, opgebouwd als een sedimentatie van al je eerdere stemmingen?

Kent het leven van elk individu een grondtoon? Ben je een partituur die niet ontkomt aan zijn componist? Een componist die je maar in geringe mate zelf kunt zijn. Nee, dit zijn geen prettige vragen. Ik heb het meer dan eens meegemaakt dat een opgewekte wildvreemde, op straat, zomaar tegen mij zei: „Is het echt zo erg?”

Ik word niet graag gefotografeerd. Foto’s waarvoor ik moet poseren maken de zaak nog erger. Zou het waar zijn, zie ik er werkelijk zo uit? Een foto kan toch niet liegen? Hoe is het mogelijk dat mijn vrouw het met mij uithoudt? Waarom nemen mijn vrienden de vlucht niet als ik eraan kom? Er zijn tv-programma’s waarbij een hopeloos verslonsd iemand in een overzichtelijk aantal etappes een gedaanteverwisseling ondergaat. Ik geef toe dat zo’n totale make-over, als die mogelijk zou zijn waar het de gezichtsuitdrukking betreft, me geweldig aantrekkelijk lijkt. Zo’n metamorfose zou dan net als de voorbijganger dat deed, maar nu structureel, aan het licht brengen wie er al een hele poos achter die verwaarloosde façade woont. Want binnen mijn enigszins bedrieglijke vermomming van sombermans woon ik namelijk gewoon zelf. En zo erg als dat lijkt is het helemaal niet, dat weet ik uit ervaring. Vanbinnen ben ik gelukkiger dan ik er vanbuiten uitzie. Anders zou ik toch niet zo schrikken, altijd maar weer, van het vastgelegde uiterlijk?