Opinie

De staatsschuld als een non-probleem

Een economische groei van 2,0 procent dit jaar, die 0,6 procentpunt hoger is dan het gemiddelde van de eurozone. En een groei van 2,2 procent in 2016, nog steeds 0,1 procentpunt hoger dan de eurozone. Dat is het beste groeicijfer sinds 2007. Nederland doet het verhoudingsgewijs goed ¬– als de ramingen van de OESO, de club van rijke industrielanden die gisteren haar halfjaarlijkse prognoses deed, uitkomen.

Daarmee laait het debat weer op tussen de rekkelijken en de preciezen in het al zeven jaar oude begrotingsdebat. Zijn we er nu bovenop omdat er is bezuinigd? Of hadden we er nog veel beter voor kunnen staan als we de teugels niet zo strak hadden aangehaald?

Los van het gevecht over de juiste lezing van het recente verleden, gloort er nu een strijd over de naaste toekomst. Moeten we doorpakken met het terugbrengen van de staatsschuld? Die bedraagt dit jaar in Nederland, volgens de raming van de OESO, 68,6 procent van het bruto binnenlands product en volgend jaar 68,2 procent. Ter vergelijk: in 2007 bereikte de staatsschuld nog een bodem van 42,7 procent.

Het nieuwe dilemma gaat over de keus de schuld verder te verlagen of te investeren in infrastructuur. Defensief of offensief. Dat laatste overheerst het discours: in Azië wordt er fors op ingezet en bieden de bestaande Aziatische Ontwikkelingsbank en de nieuw op te zetten Asiatische Infrastructuur Investeringsbank (AIIB) tegen elkaar op. Ook in het Westen is infrastructuur hot. In de VS wordt bijvoorbeeld gedebatteerd over de verouderde wegen, bruggen en railverbindingen. In Europa is er het plan-Juncker, met minstens 300 miljard euro aan investeringen in infrastructuur als doel.

Maar kan het ook? In de eurozone heerst formeel de begrotingsdiscipline. Alle oude én nieuwe afspraken zijn in principe gericht op een einddoel: een begroting die dichtbij balans of in overschot is. Duitsland heeft dat inmiddels in eigen land zelfs wettelijk vastgelegd. Maar is dat allemaal ook logisch?

Dinsdag publiceerde het Internationaal Monetair Fonds (IMF) een document waarin de kwestie wordt aangekaart. Dit gebeurt in een zogenoemde Staff Discussion Note, waarin balletjes kunnen worden opgegooid, zonder dat de organisatie er meteen aan vast zit.

Een belangrijke variabele in het onderzoek komt van kredietbeoordelaar Moody’s. Die berekent voor landen de zogenoemde fiscal space. Deze geeft aan hoeveel hoger de staatschuld zou kunnen zijn, voordat een percentage wordt bereikt waarbij een land zodanig in het nauw komt dat het zijn schulden niet meer kan voldoen. Nederland zou volgens die calculatie een staatsschuld mogen hebben die maximaal 158 procent van het bbp hoger is dan nu.

Dat is belachelijk veel, maar het geeft vooral aan dat er forse ruimte is naar boven. De extreme keuze bij het managen van staatsschuld, stelt het IMF, gaat tussen het bereiken van een zodanig lage schuld dat een volgende Lehman-schok kan worden geïncasseerd, en het toelaten van een relatief hoge schuld om infrastructurele investeringen te kunnen doen. Het fonds zit daarbij zelf in het midden: de meeste landen zouden geen extra inspanningen meer moeten doen om de staatsschuldquote te verlagen, en passief de economische groei het werk laten doen. Veilig genoeg.

Wat zou dat voor Nederland betekenen? Niet meteen aan het remmen en uitgeven slaan, graag. Investeren is doel. De voorstanders van een grootscheeps offensief op het gebied van duurzame energie hebben er een krachtig argument bij.