De Politiecolumn: De onwerkbare waarheid van het blauwe plafond

Hoger opgeleiden en andere nieuwkomers bij de politie werden en worden maar moeizaam geaccepteerd. Ze krijgen klusjes te doen waarvoor zij zich niet gekwalificeerd achten en voelen zich buiten het echte werk gehouden. Guus Meershoek over het ‘blauwe plafond’ bij de politie, in de wekelijkse Politiecolumn.

Eind maart verscheen De gekooide recherche van de hand van Michiel Princen, het verslag van tien jaar werken als analist bij de Amsterdamse politie. Het boek is een scherpzinnige getuigenis van het functioneren van de recherche, of beter gezegd: het disfunctioneren. Want dat is de boodschap: rechercheurs zijn niet gekwalificeerd voor hun werk, lopen er de kantjes van af en bekommeren zich slechts om hun arbeidsvoorwaarden. Zij willen geen boeven meer vangen. Dat verhaal is al vaker gehoord maar niet eerder van binnenuit zo bikkelhard. De Rotterdamse hoofdcommissaris van politie Jan Blaauw kon op de televisie vlijmscherp oordelen over het onderzoek in de Puttense moordzaak maar als kijker wist je dan in elk geval nog dat het om een bedrijfsongeval ging: Blaauw zelf belichaamde de politie die deugde.

De korpsleiding van de Nationale Politie reageerde op het boek met de bekende verdediging tegen kritiek vanuit de samenleving: wij herkennen het beeld, hebben de problemen al eerder gesignaleerd en zijn druk bezig die op te lossen. Kortom, het public relations voorschrift: vooral niet arrogant overkomen maar ook geen schuld bekennen, want dan zijn de poppen aan het dansen. Verklaar maar dat lering wordt getrokken; dan kan iedereen weer snel gewoon verder.

Met recht hekelt Princen in het jongste nummer van Het Tijdschrift voor de Politie die reactie maar ik moest bij lezing toch denken aan Billy Bud, de hoofdpersoon van de gelijknamige novelle van de Amerikaanse schrijver Herman Melville. Billy is matroos op een oorlogsschip, samen met andere jongens van straat geplukt toen de Britse marine eind achttiende eeuw weer eens moest uitvaren tegen de vloot van Napoleon. Te midden van al dat ruwe volk weet hij overeind te blijven, hij sticht zelfs vrede bij uitbarstende ruzies en is al met al een godsgeschenk voor de kapitein, Vere geheten. Maar de provoost, de man die op het schip de discipline moet handhaven, ergert zich aan zijn deugdzaamheid en beschuldigt hem valselijk van sabotage. Een woedende Billy geeft de provoost daarop een klap. Een duidelijk geval van insubordinatie en kapitein Vere ziet zich dan ook gedwongen Billy ter dood te veroordelen hoewel hij weet dat deze valselijk beschuldigd is en dat zijn dood de organisatie schade berokkent.

Princen heeft geen klap uitgedeeld, maar hij lijkt toch op Billy Bud, met het morele gelijk aan zijn kant, maar in een omgeving waar dagelijkse lastige keuzes worden gemaakt juist vanwege die deugdzaamheid ergerniswekkend. De korpsleiding heeft geen straf uitgedeeld, de Amsterdamse eenheidschef negeerde slechts een verzoek om een gesprek, maar ik zie in haar toch kapitein Vere. Zij herkent het gelijk van Princen maar vindt zijn boodschap een onwerkbare waarheid. Met zijn gelijk valt geen organisatie te besturen.

Toch valt uit zijn boek wel een les te trekken. Op advies van de commissie Posthumus is de afgelopen tien jaar het aantal hoger opgeleiden in de recherche drastisch vergroot. Die nieuwkomers werden en worden daar maar moeizaam geaccepteerd, krijgen klusjes te doen waarvoor zij zich niet gekwalificeerd achten en voelen zich buiten het echte werk gehouden. Evenals eerder vrouwen en allochtonen stoten zij hun hoofd tegen het blauwe plafond. Velen hebben teleurgesteld de politie verlaten. Het boek van Princen vertolkt hun ervaringen.

De echte les die je uit zijn boek kunt trekken, is dat vernieuwing in de politie een moeizame zaak is, een kwestie van lange adem. De organisatie heeft namelijk orde en dienstbaarheid in de vezels, hoort dat ook te hebben en is daardoor weerbarstig. Vernieuwing in de recherche kwam in het verleden niet toevallig van politiechefs, zoals Jan Blaauw en Jan Wilzing, wiens hele loopbaan in het teken van de opsporing had gestaan. Bij tegenslag verdedigden zij zich niet met een gemakzuchtig lessons learned, want zij wisten hoeveel moeite het kostte de lessen die zij jaren eerder in de praktijk hadden opgedaan, in de organisatie door te voeren. Maar hun route naar verandering is inmiddels te lang. De samenleving verandert te snel, de organisatie is te groot, de harde kern te weerbarstig en de zittingstijd van een politiechef te kort. Vernieuwing moet komen van slimmeriken die langer dan tien jaar bij de politie blijven en in grote getale het blauwe plafond doorbreken. Het is daarom jammer dat Princen de politie heeft verlaten.

 

Guus Meershoek is lector Politiegeschiedenis aan de Politieacademie en universitair docent Bestuurskunde aan de Universiteit Twente. De Politiecolumn verschijnt wekelijks en wordt afwisselend geschreven door politiedeskundigen. Volgende week Lex Mellink, sociaal architect.