‘Voor Arabische filmmaaksters is indirect een soort tweede natuur’

achter de camera in het Eye Filmmuseum

‘Enkele jaren geleden zou ik het niet fijn hebben gevonden in het hokje ‘Arabische filmmaakster’ te belanden”, vertelt de Libanese regisseur Dima El-Horr. „Maar als het vandaag de dag op het Journaal gaat over Arabische vrouwen, hoor je enkel dat ze onderdrukt worden.” In een poging dat beeld te nuanceren, wilde ze best opgenomen worden in een programma met vrouwen die achter de camera staan in Egypte of Jemen, al maken zij films in een totaal andere context.

Filmmuseum Eye in Amsterdam vertoont van 4 tot 21 juni speelfilms, documentaires en korte films die de afgelopen twintig jaar zijn gemaakt door vrouwen uit de Arabische wereld. Hun films krijgen steeds meer internationale aandacht: Wadjda (2012) van Haifaa Al-Mansour, de eerste film uit Saoedi-Arabië, en het Frans-Algerijnse Yema (2012) van Djamila Sahraoui kaapten prijzen weg op filmfestivals. Al-Mansour en de Libanese Nadine Labaki (Caramel, 2007) zaten in de jury van de Un Certain Regard-competitie in Cannes, vertelt filmcurator Ludmila Cvikova, die de nogal eclectische filmselectie heeft gemaakt voor Eye.

Die opkomst van vrouwelijke regisseurs hangt samen met ontwikkelingen in hun thuislanden, groeiende aandacht in het Westen en financiële steun van rijke filminstituten in de Golfstaten. Cvikova heeft vier jaar films geprogrammeerd voor het filminstituut in Doha: „Ik zag daar zoveel moderne, hoogopgeleide vrouwen die leidende functies vervulden in de culturele wereld. Ik wil laten zien hoe deze culturele elite van de Arabische wereld kijkt naar haar eigen maatschappij.”

In Eye worden films vertoond uit landen waar het niet ongewoon is een vrouwelijke regisseur op de set te zien, zoals de bitterzoete komedie Where do we go now? (2011) van Nadine Labaki, waarin de spanningen tussen christenen en moslims in Libanon centraal staan. „In Libanon was al een boom van vrouwelijke filmmakers in de jaren zeventig, zoals Jocelyne Saab”, vertelt Labaki’s landgenote El-Horr van wie het surrealistische Everyday is a Holiday (2009) wordt vertoond. „Hoewel er geen echte filmindustrie is zoals in Egypte, hebben we goede audiovisuele opleidingen. Je hoeft als filmmaker niet per se naar het buitenland om te studeren.”

De situatie waarin Labaki en El-Horr werken is onvergelijkbaar met die van regisseur en actrice Ahd Kamel uit Saoedi-Arabië. Ze komt in Eye spreken over haar korte film Sanctity (2013) en haar filmrol in het eveneens vertoonde Wadjda. Tijdens het filmen van Wadjda moest de vrouwelijke regisseur acteurs vanuit de auto met een walkietalkie instructies geven, omdat ze op straat niet mocht communiceren met de mannelijke leden van haar Duitse crew.

De Jemenitische Khadija al-Salami, met wier film I am Nojoom, age 10 and divorced (2014) Eye het programma opent, benadrukt het belang van kennis van de lokale situatie voor nuance. Ze verfilmde de biografie van een tienjarig Jemenitisch meisje dat uitgehuwelijkt werd en zelf besliste om een scheiding aan te vragen. Toen een buitenlandse filmmaakster de rechten op het verhaal wilde kopen en de film in Marokko wilde laten maken, verzette Al-Salami zich hevig. „Het verhaal van Nojoom is ook mijn verhaal, ook ik werd als kind uitgehuwelijkt.” Net daarom wilde de Jemenitische niet dat de film enkel over slachtofferschap zou gaan; zelf wist ze zich via een scheiding en scholing los te maken van haar verleden. „Ik was razend op mijn familie, maar ik weet dat ze het niet deden uit een gebrek aan liefde, maar uit een gebrek aan educatie.” Al-Salami ging met een zeer beperkt budget en zonder overheidstoestemming eind 2013 ter plekke filmen. Naar eigen zeggen een nachtmerrie: Jemen kent geen professionele acteurs – er zijn sinds 2008 slechts drie films gedraaid – en geen verzekeringsmaatschappij wilde haar Franse medewerkers dekken. Ze deed daarom een beroep op een Egyptisch crew en de lokale bevolking, die niet volledig op de hoogte was van het onderwerp van de film.

Al-Salami’s bedoeling was – in tegenstelling tot Labaki die met Caramel bijvoorbeeld ook het beeld van Libanon in het Westen wilde veranderen – om haar film met mobiele bioscoopschermen te vertonen in dorpen in haar thuisland en daar discussies te starten. Door de huidige situatie in Jemen is dat niet meer mogelijk.

Afgelopen week werd bekend dat het Marokkaanse ministerie van Cultuur de vertoning van Much Loved, het prostitutiedrama van de Marokkaanse filmmaker Nabil Ayouch, heeft verboden. Hoe gaan de filmmaaksters om met de censuur in hun land? El-Horr: „Zolang je het niet direct over geloof, politiek of religie hebt, laten ze je meestal met rust. Het is voor mij een soort tweede natuur om het daar indirect over te hebben.” Ahd Kamel: „Mijn film Sanctity is nu twee jaar uit en ik heb nog geen problemen gehad. Er zijn hier geen bioscopen, mensen kijken online. Dat weet de censuur ook. Ik toon bovendien enkel de realiteit, die krijgen mensen toch te zien.”

    • Sabeth Snijders