Tijd voor een veel zakelijker debat over Europa

Thierry Baudet ageerde tegen de EU, Linda Senden ervoor. Boris van der Ham pleit voor ‘afrekenbaarheid’ in Europa.

illustratie arcadio esquivel

Op 1 juni 2005 vond het referendum over de Europese Grondwet plaats. Tien jaar later dreunt het ‘nee’ nog steeds na. 62 procent van de Nederlanders stemde tegen. Achter dat percentage gingen vele soorten argumenten schuil, maar uit onderzoek bleek dat ze vrijwel allemaal samenhingen met wantrouwen in de werking van de Europese Unie en met het verlies aan nationale eigenheid. Vol berouw kondigden politici aan dat er ‘lessen’ moesten worden getrokken uit de uitslag.

De interpretaties daarvan lijken echter nog steeds verschillende richtingen op te stuiteren. Dat was ook te zien aan de twee opinieartikelen die afgelopen zaterdag in NRC Handelsblad stonden, de één anti-EU, de ander uiterst pro-EU. Ik leg er graag als een van de indieners van het referendumvoorstel van toen, mijn ervaringen naast.

Allereerst is het opvallend dat het referendum zelf nog steeds onderwerp van debat is. Was het wel verstandig om zo’n complex onderwerp als ‘Europa’ aan de bevolking voor te leggen? Ik zeg nog steeds met volle overtuiging: ja. Hoewel een referendum per definitie een bot paardenmiddel is, was dat hard nodig om het vacuüm te doorbreken waar het EU-debat zich destijds in bevond.

Tot 2005 leed de discussie, ook in Nederland, aan gebrek aan zakelijkheid. Dat leidde in 2003 tot de toetreding van Roemenië en Bulgarije tot de EU, hoewel die landen bij lange na niet voldeden aan de strenge voorwaarden die vooraf gesteld waren. Goede ‘intenties’ bleken opeens genoeg. Ook de afspraken over de euro zijn voortdurend geschonden zonder dat dit gevolgen had voor de schenders. Het romantische idee van samenwerking werd belangrijker geacht dan het feitelijk nakomen van die afspraken. De negatieve gevolgen van de te vroege toetreding van Roemenië en Bulgarije werken nog steeds door en het wanbeleid rond de euro heeft Europa zelfs in een diepe financieel-economische crisis gestort.

Uit onderzoek blijkt dat veel Nederlanders de meerwaarde van EU en de euro zien, maar dat de wijze van uitvoering hun vertrouwen daarin heeft gebroken. Het gebrek aan zakelijkheid van de romantische pro-Europeanen heeft dus meer schade gedaan aan het draagvlak voor de Europese samenwerking dan eurosceptici ooit hebben kunnen aanrichten.

Helaas moet ik vaststellen dat het paardenmiddel uit 2005 dit proces niet heeft gekeerd. De Nederlandse politiek heeft een unieke kans voorbij laten gaan door geen vervolgreferendum te houden. Dat had moeten gebeuren na het uitkomen van het afgeslankte verdrag dat ter vervanging van de Europese Grondwet kwam. Notoire pro-Europeanen (D66 en GroenLinks) dienden daartoe, notabene met notoire tegenstanders (PVV, SP, Partij voor de Dieren) in 2007 een nieuwe initiatiefwet in. Helaas hielpen CDA, VVD en PvdA het niet aan een meerderheid. Door de kiezer deze logische afronding te onthouden, is het wantrouwen onnodig verdiept.

Kwalijker is dat de Europese leiders na 2005 verder gingen met het maken van tandeloze afspraken. Zo werden ambitieuze doelen gesteld voor schone energie, maar het ontbrak opnieuw aan sancties. Hetzelfde gebeurde bij de ‘Lissabon-agenda’ voor een Europese kenniseconomie. Opnieuw werden de afspraken niet nagekomen. Nederland is, ondanks het referendum, ook steeds weer akkoord gegaan, wetende dat dit onherroepelijk tot volgende ontgoochelingen zouden leiden.

Nederland moet in de EU afdwingen dat landen niet afhankelijk hoeven te zijn van de minst betrouwbare of minst ambitieuze schakel. Maar ook hier verkiezen opeenvolgende regeringen en vele politieke partijen – waaronder de mijne – de lieve vrede boven vernieuwing. Het is winst dat er sinds het referendum een scherp debat is ontstaan over de wenselijkheid van verdere Europese samenwerking. Pro-Europeanen en eurosceptici moeten echter samen optrekken voor een belangrijk zakelijk principe: Europese afspraken dienen gepaard te gaan met afrekenbaarheid. Zo niet, laat landen dan vrij en hol de geloofwaardigheid van de Unie niet verder uit.