De Togacolumn: Hard werken als statussymbool

Alle advocaten maken overuren, omdat de cliënt dat mag verwachten. En toch slaat Van Doorne de plank mis met z’ n personeelswerving. De Togacolumn, door Britta Böhler, hoogleraar advocatuur aan de Universiteit van Amsterdam.

Kort geleden lanceerde het Zuidas-kantoor Van Doorne een campagne ter werving van nieuwe advocaten. In de eerste advertentie in de reeks, geplaatst in het tijdschrift van het Amsterdamsch Studenten Corps, zie je de foto van een oudere man (‘Opa Adrie’) die met trieste ogen in de camera kijkt met daarboven de tekst: ‘Juli vorig jaar heeft Sophie hier voor het laatst gegeten’.

Onder de foto wordt vervolgens toegelicht waarom Adrie zijn kleindochter al meer dan negen maanden niet heeft gezien: ‘Van Doorne gelooft in mensen die op meerdere (vak) gebieden hun talenten ontwikkelen. (…) We begrijpen dat je hier tijd in moet investeren en dat je daardoor je vrienden en familie wat minder ziet. Maar dan werk je wel bij Van Doorne.’

Naar eigen zeggen was de advertentie met een knipoog bedoeld maar Van Doorne werd het mikpunt van spot, met venijnige reacties binnen en buiten de advocatuur en een ludieke namaak-advertentie van Fokke & Sukke op twitter.

De campagne van Van Doorne was dus bepaald geen schot in de roos en dat kwam niet alleen omdat de poging tot humor de plank missloeg. De negatieve reacties lijken te suggereren dat het beeld van de advocaat als workaholic, de advocaat die tien uur per dag of meer aan zijn werk besteedt niet meer van deze tijd is – behalve bij Van Doorne dan. Maar hard werken, vaak ook in de avonden en in het weekend, hoort er bij als je advocaat bent. En er is geen advocaat die van zijn werk houdt, die dit een probleem zal vinden. De advocaat, ook de advocaat in loondienst, heeft nou eenmaal geen negen tot vijf baan. Flexibiliteit wat de werktijden betreft hoort bij de dienstverlening aan de cliënt. En dat houdt in dat je soms een diner met vrienden of een bezoek bij Opa Adrie af moet zeggen omdat er laatste hand moet worden gelegd aan een kort geding-dagvaarding die de volgende ochtend de deur uit moet. Of omdat de FIOD plots die avond een inval doet in het kantoor van een cliënt. En zeker, soms zal het moeilijk zijn de juiste balans te vinden tussen werk en privéleven.

Dat geldt uiteraard niet alleen voor advocaten die bij een groot commercieel kantoor aan de Zuidas werken, maar evengoed voor de advocaat die asielzaken op toevoegingsbasis behandelt. Ik durf zelfs te wedden dat er geen advocaat te vinden is die nog nooit heeft moeten overwerken. En ook de andere twee togadragers, rechters en officieren van justitie, vinden het vanzelfsprekend dat ze soms in het weekend nog een dossier moeten lezen of aan een vonnis moeten sleutelen.

Er is derhalve niets mis met het feit Van Doorne op zoek gaat naar jonge advocaten die niet verwachten elke avond om half zeven thuis te kunnen zijn. Weliswaar is de poging dit op een grappige manier te doen jammerlijk mislukt, maar dat is niet de echte misser van Van Doorne.  De echte misser is dat Van Doorne in de advertentie het harde werken tot statussymbool van het kantoor heeft verheven: Sophie moet op zondag werken in plaats van een bezoek te brengen aan Opa Adrie omdat dit nou eenmaal hoort bij de cultuur van haar werkgever en status verleent aan haar en haar kantoor.

Dus niet het belang van de cliënt maakt dat je er als advocaat bij Van Doorne een tandje bij moet zetten, maar enkel het feit dat je in dienst bent bij dit prestigieuze kantoor. Hard werken als symbool voor het aanzien en de gewichtigheid van het kantoor en de advocaten die daar werkzaam zijn. En dit beeld van de advocatuur is inderdaad niet meer van deze tijd.

Britta Böhler is advocaat en hoogleraar advocatuur aan de Universiteit van Amsterdam. De Togacolumn wordt afwisselend geschreven door een advocaat, een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie en een rechter. Volgende week Miranda de Meijer, advocaat-generaal bij het ressortsparket in Den Haag.

Reageren? Volledige naamsvermelding verplicht.