Zelfdiscipline

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits
Illustratie Eliane Gerrits

Memorial Day eindigt steevast met een picknick. Heel Amerika ruikt naar hamburgers. Ook ik zit in een tuin waar de gastheer, een oudere man met schort, onhandig worstjes op de barbecue legt.

„Het is jammer dat zo weinigen op deze dag aan de veteranen denken”, zegt mijn buurman. „Het is een feestdag vol patriottisme, terwijl het toch een moment van bezinning zou moeten zijn.”

Dat hebben wij Nederlanders beter begrepen: kransen en linten op Dodenherdenking, vlaggen en wimpels op Bevrijdingsdag.

Dan tikt de buurman tegen zijn glas. „Graag wil ik even aandacht voor de veteranen in ons midden”, zegt hij. Mensen kijken op met hun maïskolf in de hand. Hij vraagt de twee aanwezige veteranen te gaan staan. Beiden zijn kwieke negentigers en hoogleraar letterkunde aan Princeton University.

Sam Hynes droomde al als boerenzoon in de jaren 30 om te vliegen. Terwijl andere kinderen tikkertje speelden op het schoolplein, rende hij met zijn armen wijd rond, als de legendarische oorlogsvlieger de Rode Baron. In de winter, wanneer iedereen een wollen muts droeg, liep hij in een leren vliegeniershelm met bril. Later zou hij in zijn torpedobommenwerper tientallen missies vliegen tegen de Japanners in de Stille Oceaan, hoppend van eiland naar eiland.

De andere veteraan, Victor Brombert, staat naast me. Perfect gekleed in een wit pak en strooien hoed, alles afgemaakt met een kleurige foulard, neemt hij met een statig knikje het applaus in ontvangst.

Zijn leven loopt als een rode draad door de wereldgeschiedenis. Hij werd geboren in 1923 in Berlijn, in een rijke Russisch-Joodse familie, die vlak voor de revolutie vluchtte. De familie vluchtte opnieuw toen Hitler aan de macht kwam, eerst naar Vichy, toen via Spanje naar Amerika. Daar werd de jonge Victor opgeroepen voor het Amerikaanse leger. Omdat hij vloeiend Duits sprak, werd hij een van de zogenoemde Ritchie Boys – Europese vluchtelingen die Duitse gevangenen moesten ondervragen. Juni 1944 was hij weer terug in Frankrijk, nu op het zand van Omaha Beach.

„Hoe was dat?”, vraag ik hem.

„Je moet je voorstellen”, zegt hij met een zwaar Frans accent, „Ik was zo’n kind dat altijd met zijn neus in de boeken zat. Mijn hoofd zat vol Tolstoj, Stendhal en Flaubert. Ik kende hele passages uit mijn hoofd en droomde ervan zelf schrijver te worden. En plotseling stond ik op dat strand, tussen alle rommel. En de doden.”

„Wat was het eerste wat u deed?”, vraag ik.

„Ik ging mijn laarzen poetsen”, zegt hij. „De andere soldaten lachten me uit en vroegen of ik gek was. Wie poetst er nu zijn laarzen op een modderig strand, midden in een oorlog.”

Hij trekt zijn foulard recht. „We hebben allemaal onze manier om te overleven in idiote situaties”, zegt hij. „Voor mij kwam het neer op zelfdiscipline. Mijn grootmoeder leerde me dat. Zelfdiscipline begint onderaan. Bij je schoenen.”

Het is tijd voor het dessert. We staan op en lopen naar een grote schaal met koekjes versierd met de Amerikaanse vlag.

„Mijn grootmoeder betrapte me een keer toen ik een koekje pakte uit de trommel”, zegt hij. „Ze drukte me op het hart altijd eerst te vragen of het mocht. ‘Maar wat als er niemand anders in de kamer is?’, vroeg ik haar. ‘Juist dan’, zei ze, ‘juist als je alleen bent, moet je het vragen!’”