Uit angst voor Boko Haram slaapt iedereen met de ogen open

De terroristen zijn verdreven bij de stad Gombi. De wederopbouw kan beginnen. Maar de angst is nog niet weg.

Drie aanvallen op Gombi
Drie aanvallen op Gombi

Dominee Paul Hamidu heeft net zijn zondagsdienst gehouden. Hij preekt onder een afdak van golfplaten. De gelovigen moeten in de openlucht bidden, want in januari staken strijders van Boko Haram hun kerk in Gombi, in het noordoosten van Nigeria, in brand. Nog steeds heerst er angst. Nog geen honderd mensen kwamen vanochtend opdagen. In zijn glorietijd telde de kerk wel duizend leden. „Iedereen vreest Boko Haram”, zegt de pastor.

Dat geldt voor christenen én voor moslims. Toen Boko Haram vorig jaar november zijn eerste aanval op Gombi lanceerde, begon het stadje leeg te lopen. Maar de afgelopen maanden voltrok zich een ommekeer. Nog onder de vorige week afgetreden president Goodluck Jonathan herpakte het leger zich en zette het een offensief in. De nieuwe president Muhammadu Buhari bezwoer vrijdag bij zijn beëdiging Boko Haram uit te roeien. Met dat in het vooruitzicht komen de bewoners mondjesmaat terug. Hun wacht de enorme klus van de wederopbouw.

Door zijn strategische ligging aan de doorgaande weg naar Yola, de hoofdstad van de deelstaat Adamawa, heeft Gombi het zwaar te verduren gehad. Drie keer probeerde Boko Haram het provinciestadje in te nemen. De laatste keer, op 10 maart, kwamen ze met tientallen pick-ups vol munitie, duidelijk van plan dit keer in hun opzet te slagen. Steeds werden de aanvallen bij zware gevechten met het leger afgeslagen. Wel raakte het stadje steeds leger en zwaarder beschadigd. Boven zwartgeblakerde akkers hangt nog altijd een rooklucht. In het stadje zelf wordt de doorgaande weg geflankeerd door uitgebrande winkels, gezondheidscentra, scholen en kerken.

Dominee Hamidu staat in zijn lege kerk zonder dak, de stenen muren zwartgeblakerd, de vloeren schoongeschrobd door de kerkgangers. Malama Chiwar klemt haar bijbel onder de arm terwijl ze het kerkterrein af loopt. De verpleegster keerde enkele weken geleden terug naar haar geboortestad, die ze op 13 november ontvluchtte. „Natuurlijk zijn we bang. Maar we kunnen niet voor altijd wegblijven.”

Veel klinieken zijn platgebrand en de ziekenhuizen zijn nog niet open. Dus nu komen zieke mensen bij haar aan huis. „Ik kan inspringen als iemand thuis bevalt. En bij veelvoorkomende ziektes zoals malaria ook. Maar voor ernstige gevallen ben ik niet opgeleid.” Daar komt nog bij dat er nauwelijks medicijnen zijn. Verplegen is voor Chiwar op dit moment vooral improviseren.

Ook Tina Paul Banu, conrector van een middelbare school, moet improviseren. Ze keerde twee weken geleden terug met haar man en vier kinderen, nadat de overheid erop had aangedrongen dat de scholen weer opengingen. Ze trof de klaslokalen leeggeplunderd aan. De schoolbanken waren meegenomen, waarschijnlijk om te worden gebruikt als brandhout. Nu volgen de leerlingen de lessen opeengepropt op een paar inderhaast getimmerde houten bankjes met hun schrift op schoot. Ook aan lesmateriaal is gebrek: „Kinderen die het geluk hebben een studieboek te hebben, vragen we dat te delen met hun medeleerlingen.”

Gombi ligt hemelsbreed een kleine tachtig kilometer ten zuiden van Chibok, het stadje waar Boko Haram in april 2014 ruim 250 schoolmeisjes ontvoerde. Ouders denken wel twee keer na voordat ze hun kinderen naar school sturen, zegt de conrector. Vóór Boko Haram telde haar school 475 leerlingen, nu slechts 20. Volgens Banu ligt dat aan de afgelegen ligging van het gebouw in een buitenwijk. In het centrum komen meer leerlingen. Daar is het veiliger, denken de ouders, in de nabijheid van het hoofdkwartier van de zogeheten hunters, de burgermilities die het leger bijstaan in de strijd tegen Boko Haram.

Een kogel per keer

Alhaji Yakubu Aliyu is leider van de lokale militie van vrijwilligers in Gombi. Hij leunt op zijn jachtgeweer en kijkt uit over de twaalf voertuigen die zijn mannen op Boko Haram hebben veroverd, als trofeeën langs het asfalt geparkeerd. Vooral op de grijze pick-up waarop de islamistische strijders op de zijkant in Arabisch schrift de tekst ‘Geen andere God dan Allah’ hebben gekalkt, zijn ze trots. Met zijn allen poseren ze voor het voertuig.

De meesten broodmager, eentje vervaarlijk loensend, lopen ze rond in hun stoffige kloffie, bewapend met lokaal geproduceerde jachtgeweren die één kogel per keer schieten. Ze gebruikten hun geïmproviseerde wapens altijd om op wild te jagen. „We schoten antilopes en buffels, en hielpen de politie soms met het jagen op gewapende overvallers”, zegt Aliyu. Toen Boko Haram opkwam, sprak het voor zich dat de jagers in samenwerking met politie en leger in actie kwamen om zichzelf en hun gemeenschap te beschermen.

In het noordoosten van Nigeria vertrouwen de mensen voor hun veiligheid vooral op zichzelf. Bij aanvallen van Boko Haram gingen de regeringssoldaten er meer dan eens samen met de bevolking vandoor. De politie is vooral bedreven in afpersing. Zo telde de 110 kilometer lange weg tussen Yola en Gombi elf controleposten van leger en politie. Maar die deden geen veiligheidschecks. Wel moesten de meeste reizigers steekpenningen afdragen.

De kleine duizend vrijwilligers van de ‘Hunters Group of Sarkin Baka’ kennen de lokale gemeenschap in het stadje en het savannegebied eromheen. Zij helpen de autoriteiten verdachte types te identificeren en fungeren als gidsen. Dat Boko Haram er nooit in is geslaagd Gombi te veroveren, is volgens de burgers mede te danken aan het optreden van hun eigen hunters. Er wordt gefluisterd dat ze over magische krachten beschikken waardoor ze aanvallers in een oogwenk kunnen desoriënteren. Gevraagd naar hun geheim glimlacht de militieleider. Hij wijst naar de hemel: ze vertrouwen op Allah.

Het Nigeriaanse leger, dat half februari met behulp van de buurlanden eindelijk een serieus offensief begon tegen Boko Haram, zegt dat alle terroristen weg zijn uit de deelstaat Adamawa. De jagers blijven echter paraat, zegt Aliyu. „De vijand kan doen alsof hij verslagen is, maar Boko Haram kan gewoon onder ons zijn.”

De terroristen rekruteren onder de lokale bevolking. Voor sommigen is het beetje geld dat Boko Haram betaalt een uitweg uit uitzichtloze armoede. Dit soort strijders leven gewoon in de gemeenschap, je herkent ze verder nergens aan. Zulke informanten kunnen ieder moment in actie komen, zegt Aliyu. „Daarom slapen wij met onze ogen open.”

Infiltrant

Eergisteren nog ontdekten de hunters dat een van hun leden een infiltrant was die hun patrouilleroutes doorgaf aan Boko Haram. Zes weken geleden betrapten ze een man die in een moskee bij een busstation een bom probeerde te laten afgaan. Wat hebben ze met die verdachten gedaan? „Die hebben we gedood”, zegt Aliyu. De jagers geloven niet in de officiële – door en door corrupte – rechtsgang.

Op honderd meter van de Hunters Group aan de overkant van de weg verkoopt Ya’u Sulaiman (35) zijn fruit. De nabijheid van de burgermilitie kon niet verhinderen dat vier maanden geleden bij een van de bestormingen zijn kiosk in vlammen opging. Hij verkoopt zijn watermeloenen en sinaasappels nu in een houten kraam onder het zwartgeblakerde golfplaten dak van zijn oude winkel, het enige wat er over was van de kiosk die hij zelf bouwde en waarvoor hij vijf jaar had moeten sparen.

De winkels achter hem gingen ook in brand. De eigenaren zijn nog niet teruggekeerd. Zij vrezen dat Boko Haram zal terugkeren, denkt hij, maar Ya’u Sulaiman heeft geen keus: „Hier verdien ik mijn geld. Hoe kan ik anders mijn gezin onderhouden?” Hij heeft twee vrouwen en zeven kinderen.

De zaken staan er matig voor. Sinds de weg naar de grote markt weer begaanbaar is, kan hij weliswaar gemakkelijk aan bananen, ananas en andere koopwaar komen. Maar in de halfverlaten stad ontbreekt klandizie. „Er is wel weer fruit, maar wie gaat het van me kopen?”