Opinie

Kanker valt te stoppen maar wordt te duur

Bernards en Schellens in ‘Schaken met de Dood’.
Bernards en Schellens in ‘Schaken met de Dood’.

Kankerbestrijding is voor de media een emotioneel onderwerp. Om geld op te halen wordt er tegen bergen opgefietst of aan BN’ers gevraagd massaal op te staan. Bijna iedereen kent wel iemand die aan die rotziekte ten onder is gegaan, dus zijn tranen gemakkelijk op te wekken, zowel in beeld als bij de kijker.

Vaak valt als ideaal te beluisteren dat kanker geen dodelijke, maar een chronische ziekte moet worden, zo ongeveer als aids. Het goede nieuws is dat dit perspectief aan de horizon begint te verschijnen. Het slechte nieuws is dat we de benodigde medicijnen niet zullen kunnen betalen.

Ook goed nieuws is de documentaire Schaken met de Dood (2DOC/NCRV), waarin regisseur Roel van Dalen zonder sentimentaliteit of effectbejag heel nuchter de kansen en de problemen op een rijtje zet. De hoofdpersonen zijn René Bernards, hoofd laboratorium Antoni van Leeuwenhoek, en Jan Schellens, internist-oncoloog. Zij zijn de ridders die met de draak vechten, met gevoel voor humor en realisme.

Bernards loopt zo’n veertig congressen en conferenties per jaar af, om verslag te doen van zijn vorderingen, maar vooral om bondgenoten en financiers te vinden. Hij zegt zelf dat zijn werk voor de helft uit onderzoek bestaat en voor de andere helft uit verkoopactiviteiten. Je ziet hem met verve de stroopkwast hanteren; waar hij ook komt, vertelt hij eerst hoe blij hij is daar te mogen zijn.

Schellens is meer van de binnendienst. Hij leidt de feitelijke trials, in dit geval naar het effect van de nieuwe combinatie van twee medicijnen op darmkankerpatiënten in ver gevorderde fase.

Van Dalen wilde eerst die patiënten buiten beeld laten, omdat het in zijn film immers ging om abstracte processen. Maar het bleek onvermijdelijk om de kijker ook kennis te laten maken met drie andere heldinnen, de dames Faber, Jones en Verdaasdonk. Hun vastbeslotenheid om deze laatste kans aan te grijpen blijkt een effectief tegenwicht voor het impliciete cynisme van de schaakpartij.

Hoewel de beide onderzoekers zeer bedreven zijn in de regels van de diplomatie, kunnen ze hun woede over de houding van de farmaceutische industrie nauwelijks verhullen. Ze zitten lachend aan bij dinertjes in dure restaurants, op uitnodiging van de grote concerns, en maken grapjes over de kostprijs. Je hebt die financiers nodig; als je een effectiviteit van 30 procent haalt en een ander onderzoeksteam 35 procent, dan zal daar de voorkeur naar uitgaan.

Belangrijker is dat een medicijn duurder wordt naarmate het beter werkt. De kosten van een kuur kunnen oplopen tot honderdduizenden euro’s, want alle, niet geheel transparante aanloopkosten moeten worden terugverdiend door de producent. En dan kun je als ‘consument’ een polis van 85 euro wel vergeten.

Hoe moet de behandelaar afwegingen maken, in onderhandeling met de verzekeraars? Een ding is zeker: de marktwerking in de gezondheidszorg kent op z’n zachtst gezegd schaduwzijden. En het maatschappelijk draagvlak voor het heil van de markt in de slag om het beste medicijn neemt af, heel snel en heel hard. Zeker na deze belangrijke, de grote emoties en harde woorden terecht schuwende documentaire.