Hoe het beeld van de Hells Angels kantelde

Justitie vond afgelopen week kilo’s drugs en wapens bij leden van motorclubs. Maar in 1975 golden de Hells Angels nog als uiting van jeugdcultuur. Hoe kantelde dat beeld?

Hells Angels op de Amsterdamse Dam in 1978. Foto Ed van der Elsken
Hells Angels op de Amsterdamse Dam in 1978. Foto Ed van der Elsken Foto Ed van der Elsken / HH / Nederlandse Fotomuseum

Vraag iemand waarom hij bij een motorclub zit en hij zal wijzen op ‘kameraadschap’, het ‘motorleven’. Maar uit de mond van sommige bikers zullen sociaal wenselijke antwoorden geen luisterend oor meer vinden.

Neem de lijst met in beslag genomen goederen die justitie vorige week publiceerde nadat bijna vierhonderd agenten op de vroege woensdagochtend huiszoekingen hadden gedaan bij motorclubleden op tientallen plaatsen in Limburg, Noord-Brabant, Duitsland en België. Opbrengst: vijf raketwerpers, tientallen handvuurwapens, riotguns, automatische vuurwapens, handgranaten, tientallen kilo’s munitie, boksbeugels, gestolen auto’s, twee drugslaboratoria, tientallen busjes pepperspray, kilo’s amfetamine, tientallen kilo’s grondstoffen voor synthetische drugs, duizenden xtc-tabletten.

De lijst is volgens justitie nog altijd niet compleet. Twintig verdachten werden aangehouden, onder wie veertien leden van de Bandidos en één lid van de Red Devils. Allen zitten in voorarrest.

Wat de motorrijders met al dat wapentuig van plan waren? Over motieven wil de politie vanwege het onderzoek niet speculeren. Feit is dat in Limburg de spanning tussen de Bandidos en de Red Devils, gelieerd aan de Hells Angels, de afgelopen weken flink opliep, vermoedelijk vanwege drugs en territorium. Bij een confrontatie voor een café in Sittard vielen deze maand al drie gewonden. Limburgse burgemeesters riepen om meer politie, minister Ard van der Steur (Veiligheid en Justitie, VVD) probeerde in het zuiden de boel te sussen en de politievakbond riep om verruiming van de wet om motorclubs te kunnen verbieden.

De onderlinge rivaliteit groeide

Hoe anders was de blik op zulke verenigingen halverwege de jaren 70, toen groepjes laagopgeleide jongeren in de Randstad naar Amerikaans voorbeeld ‘outlaw’ bikerclubs begonnen – clubs die zich niet willen conformeren aan de burgermaatschappij. In 1975 kregen de Hells Angels nog 172.500 gulden subsidie van de gemeente Amsterdam voor de bouw van een clubhuis.

„De overheid zag de verenigingen als uiting van een jeugdcultuur”, zegt Arjan Blokland, criminoloog aan de Universiteit Leiden. „Er werden wel eens bikers aangehouden, maar altijd voor delicten die ‘pasten’ bij een ruige levensstijl. Mishandeling, een verkeersovertreding, een zedendelict.”

Het gedoe met de politie werd minder in de jaren 80. Vechtende bikers verdwenen uit het straatbeeld en van de politieradar. Tegelijkertijd groeide het aantal outlaw motorclubs en chapters (afdelingen) in Nederland en werden leden, parallel aan de opkomst van de drugshandel, voor het eerst verdacht van georganiseerde criminaliteit. Motorclubs zouden zich schuldig maken aan drugs- en wapenhandel en afpersing van horecaondernemers.

De oprichting van de Raad van Acht in 1996, een soort polderoverleg dat bepaalde wie zich outlaw biker mocht noemen, moest ervoor zorgen dat onderlinge conflicten niet uit de hand liepen. Het werkte: terwijl in Canada, Denemarken en Zweden bloedige oorlogen werden uitgevochten tussen Hells Angels en Bandidos over territoria en de drugsmarkt, bleef het in Nederland rustig.

De blik op bikers kantelde pas echt na de eeuwwisseling. In 2000 vond een viervoudige moord op Hells Angels en hun vrienden plaats en later dat jaar, bij de massaal door bikers bezochte begrafenis van crimineel Sam Klepper, registreerden ook televisiecamera’s voor het eerst het verband tussen motorclubs en georganiseerde misdaad.

In de jaren erna nam de aandacht van justitie en media voor motorclubs toe terwijl ook de rivaliteit tussen clubs groeide. De Molukse motorclub Satudarah stapte in 2011 uit de Raad van Acht, waarna het overlegorgaan stopte, de hiërarchie in motorland volledig verdween en de eisen om outlaw biker te mogen heten werden verlaagd. Ook zonder motorrijbewijs kun je nu bij sommige clubs een jasje met embleem aantrekken. Gevolg: overal in Nederland nieuwe motorclubs en afdelingen, wat de maatschappelijke onrust verder vergroot.

Waar al die nieuwe bikers opeens vandaan komen? Onduidelijk, zegt criminoloog Blokland. „In het buitenland zag je een vergelijkbare tendens in de periode vóór grote biker wars. Toetredingseisen gingen omlaag en clubs wierven snel nieuwe leden die fungeerden als voetsoldaten.” Of zo’n ‘voorbereiding’ nu ook in Nederland plaatsvindt, is maar zeer de vraag. „De nieuwe leden kunnen zich ook gewoon aangetrokken voelen tot de subcultuur, waarbij de recente media-aandacht voor motorclubs de toeloop alleen maar versterkt.”

Verschillen tussen clubs zijn groot

Aanwijzingen dat bepaalde outlaw motorclubs criminelen aantrekken, zijn er wel. Maar de verschillen tussen de clubs zijn groot, concludeerde Blokland vorig jaar na onderzoek onder twaalf verenigingen en 601 leden die bekend waren bij politie. „Bij sommige motorclubs heeft het overgrote deel van de leden een strafblad, bij andere clubs vrijwel niemand.”

Belangrijk, zegt Blokland, is de verhouding tussen ‘conservatieven’ en ‘radicalen’ binnen een vereniging. De één wil motorrijden, de ander is vooral uit op criminaliteit. Soms zie je dat de radicalen in de meerderheid raken, waarna de conservatieven vertrekken en een club dieper in de criminaliteit verzeilt. „Dan verandert de signatuur.”

Zo’n motorjasje kan criminelen zeker voordeel verschaffen, zegt Hans Nelen, criminoloog aan Maastricht University. Behalve ‘intimiderend vermogen’ bieden clubs een goeie schuilplek, bijvoorbeeld vanwege een moeilijk te doordringen clubhuis. „Dat helpt bij het afschermen van criminele activiteiten.” Internationale contacten, zwijgplicht en ‘broederschap’ – typische kenmerken van een motorclub – kunnen helpen bij hennepteelt en xtc-handel, volgens Europol de voornaamste criminele activiteiten van zulke motorclubs.

Dat de rivaliteit tussen clubs soms oplaait, zoals deze maand in Limburg, is niet verwonderlijk, zegt Nelen. „Het hoort erbij. Een vijand verschaft een motorclub identiteit en versterkt de cohesie in eigen gelederen.”

Dat juist in Limburg het geweld oplaait, is evenmin onverwacht. Het werkterrein van de vorig jaar opgerichte Bandidos ligt tussen en rondom de grenzen met België en Duitsland. Hier wonen de gearresteerde clubleden niet alleen in Limburg, maar óók in ‘Euregio Maas-Rijn’, een gebied van vier miljoen inwoners met steden als Luik, Aken en Maastricht. In geen enkel ander Europees grensgebied zijn de problemen met drugscriminaliteit volgens rapporten zo groot als hier. Banden tussen Nederlandse en Duitse Bandidos zijn hecht – sommigen reizen dagelijks over de grens – terwijl voor justitie opsporing en uitwisseling van informatie met buitenlandse collega’s juist door die grenzen niet gemakkelijk is.

Vluchtige netwerkjes

Meest opvallend vindt Nelen het gemak waarmee leden de laatste jaren van motorclub wisselen. „Was je voorheen lid voor het leven, nu blijkt iemand van de Hells Angels later lid te kunnen worden van aartsvijand Bandidos.” Juist die flexibiliteit, „fluïde samenstellingsverbanden”, zijn kenmerkend voor georganiseerde misdaad. „Bij hennepteelt en drugshandel heb je geen ‘vaste’ groepen. Het zijn vluchtige netwerkjes die zich aanpassen aan de markt. Teams worden functioneel samengesteld uit een poule van mensen die elkaar vertrouwen: iemand voor de oogst, voor de handel, voor het geld.”

Kampers, motorclubleden en handige elektriciens uit de bovenwereld zitten soms in één team. Samenwerking, zegt Nelen, is er soms zelfs tussen bikers van verschillende motorclubs. Dat blijkt uit opsporingsonderzoek. En laat de buitenwereld dan maar denken dat alle clubs voortdurend met elkaar in conflict zijn. Dat leidt de aandacht mooi af, zodat criminele bikers rustig hun gang kunnen gaan.