Ik kus Charleroi op de mond, ondanks haar stinkende adem

De vervallen Belgische kolen- en staalstad Charleroi ontroert fotograaf Stephan Vanfleteren. „Helaas heerst nu de sloophamer.”

Het zijn vooral de terrils, de kolenafvalbergen die als zwarte puisten het stadsbeeld bepalen, waardoor Charleroi ooit werd verkozen tot Lelijkste Stad ter Wereld. „Schandalig”, vindt de Belgische topfotograaf Stephan Vanfleteren. „Wie de poëzie van de terrils en de industriële ruïnes midden in de stad ontgaat, is stekeblind.”

In het Fotomuseum in Charleroi opende onlangs Vanfleterens expositie Charleroi, il est clair que le gris est noir, waarvoor de fotograaf een paar maanden dwaalde door de vervallen kolen- en staalstad in België’s oude industriële bekken. Le pays noir, het zwarte land, wordt de Waalse streek rond Charleroi genoemd. De roestige en verlaten fabrieksterreinen herinneren aan de tijd dat de stad als een magneet trok aan gelukzoekers uit de hele wereld. Nu groei je er in armoede op, zonder enig perspectief. De laatste mijnen sloten in de jaren tachtig van de vorige eeuw.

Vanfleteren brengt die rauwe realiteit in beeld, maar met mededogen en veel begrip voor de Carolo’s, de inwoners van Charleroi. „Ik kus Charleroi op de mond, ondanks haar stinkende adem”, schrijft hij in het boek dat tegelijk met de expositie werd gelanceerd.

U noemt Charleroi „ziek, opgebrand, gekwetst, vernederd”.

Vanfleteren: „Charleroi was ooit België’s trots. Maar in hetzelfde tempo waarin de stad werd gebouwd vond de neergang plaats. Het is de realiteit van de globalisering, van ons kapitalistische systeem. Een schuldige kun je moeilijk aanwijzen. Ik klink misschien wat pathetisch, maar als iets mij hevig ontroert kan ik dat niet laten. Ik heb in deze stad zó veel in m’n eentje rondgelopen, dan ga je vanzelf mijmeren en filosoferen.”

Sluipt er daardoor ook pathetiek in de foto’s?

„Je hebt observerende fotografen die bewust afstand houden. Maar in mijn werk vormen betrokkenheid, verwarring en ontroering de leidraad. Wie le pays noir als onderwerp kiest, riskeert inderdaad het clichématige bezingen van de schoonheid der lelijkheid. Maar ik heb me daar niets van aangetrokken. Ik ben gewoon met kleinbeeldcamera, lichtbepakt, door de straten gaan dwalen. Heb banale gesprekken aangeknoopt, op café of bij het frietkot. Wat ik heel bewust níet heb gedaan: een dagje mee op stap met de politie, een dagje fotograferen in een opvanghuis, of mee op stadssafari.”

Op safari in Charleroi?

„Er is een man die dat organiseert, ja. Ik vind het wat bot: alsof je gevaarlijke dieren gaat spotten.”

De burgemeester van Charleroi, Paul Magnette, ontstak onlangs in woede toen World Press Photo een fotograaf lauwerde voor zijn reeks over zijn stad: Het zwarte hart van Europa. Magnette noemde de serie ‘Vervalsing van de werkelijkheid’ . Hij kreeg gelijk, want sommige foto’s bleken geënsceneerd. Heeft deze affaire u gehinderd in uw werk?

„Toen het bekend werd had ik wel even zorgen: ik had nog een paar maanden werk in de stad voor de boeg. Maar geen enkele ‘gewone’ Carolo heeft me er op straat op aangesproken. De meesten lezen geen krant, dat is een luxe-product.”

Hoe uitzichtloos is de situatie er?

„Lange tijd zag ik Charleroi alleen maar verslechteren, maar ik zie nu voor het eerst kleine lichtpuntjes. De socialisten (de Waalse partij PS van burgemeester Magnette, red.) hebben lange tijd de pijnlijke gevolgen van de globalisering toegedekt. Maar de stad wordt nu opgekuisd. Straatprostitutie en heroïnehandel worden aangepakt.”

Betekent dat het einde van, zoals u het omschrijft, ‘de poëzie van industriële ruïnes’?

„Helaas heerst nu de sloophamer. Ik vind juist dat je die industriële erfenis, uníek in Europa, moet koesteren. Je moet investeren in de jeugd. Renoveer die ruïnes! Richt er goedkope atelierruimtes in voor kunstenaars, want zij zijn de verkenners in een samenleving. Charleroi zet je scherp, inspireert en fascineert. Je moet het in teressant maken voor jongeren om er te blijven.”

Om er, behalve een atelier te betrekken, wat zoal te doen?

„Natuurlijk is dat de grote vraag. Maar alles beter dan wat ze nu doen: winkelparadijzen bouwen. Wat moet je daar zonder geld?”