Ik knok omdat mijn moeder dat ook deed

Korte serie over hoe jongeren omgaan met rouw en verlies. Vandaag: Linda de Best. Zij verloor haar vader toen ze een kleuter was, en haar moeder bij een ongeluk. „Zie wat je wél hebt, niet wat je niet hebt.”

Foto’s Anaïs López
Foto’s Anaïs López

Linda de Best (25) was pas vier jaar oud toen haar vader zijn leven beëindigde door voor de trein te springen. Zelf leed ze op dat moment aan leukemie. Linda bleef samen met haar moeder achter, en genas van de leukemie. Ze groeide op als een gelukkig kind en had een hechte band met haar moeder. Totdat die vorig jaar door een auto werd aangereden. Haar moeder raakte in coma en overleed ook. Linda vertelt hoe het verlies van haar ouders haar leven bepaalt, toen en nu.

„Op de kleuterschool stak ik mijn vinger op en zei ik: ‘Mijn vader is dood’. Ik werd de klas uitgestuurd, andere kinderen mochten het niet horen. In de aantekeningen van mijn moeder vond ik dit voorval terug, zelf kan ik het mij niet meer herinneren. Mijn moeder hield in die tijd een dagboek bij. Ik vond de schriftjes pas na haar dood. Ik las dat ze soms ook wanhopig is geweest, dat heb ik nooit geweten. Het liefst had ik er met haar over willen praten, haar willen vragen hoe het precies is gegaan.

Mijn moeder praatte niet over mijn vader. Alleen als ik naar hem vroeg. Ze vertelde wat ik wilde weten, maar uit zichzelf begon ze nooit over hem. Ik denk dat ze zich in de steek gelaten voelde, al zei ze ook dat nooit hardop. Mijn vader vond het leven zwaar, hij was manisch-depressief. Hij zat tijdelijk in een instelling, maar ontsnapte en sprong voor de trein. Mijn moeder was een sterke vrouw, ze was vader en moeder ineen voor mij. Echte rouw om mijn vader heb ik nauwelijks gekend, ik was nog zo klein. Ik ben nooit iets tekort gekomen en heb niet het idee gehad dat ik iets miste wat andere kinderen wel hadden.

Als kind was ik heel sociaal, ik speelde veel buiten. Ondanks de dood van mijn vader was er eigenlijk niet zo veel aan de hand met mij. Ik was genezen van kanker en voelde me een normaal kind. Nu is dat anders. Ik vind het lastig om met leeftijdsgenoten om te gaan en voel me minder vrij dan anderen. Mijn vriendinnen zijn allemaal ouder dan ik, twee van hen zijn al vijftig. Ze hebben wat meer levenservaring. Ik heb liever een serieus gesprek, dat lukt mij minder goed met mensen van mijn leeftijd. Je moet zelfstandig en volwassen zijn als je ouders dood zijn – anders lukt het niet.

Mijn moeder werd aangereden op het fietspad, ze kwam mij halen van mijn werk. De automobiliste had haar niet gezien en mijn moeder kwam precies verkeerd terecht. Ze heeft veertien dagen in coma gelegen, waarna ze overleed. Er komt een strafzaak tegen de automobiliste. Zij wil contact met mij, maar ik wil haar niet zien. Ze wilde mij een kaartje sturen, maar zelfs daarvan weet ik niet of ik dat wil. Zij heeft mijn moeder van mij afgenomen. Dat zal ik haar nooit kunnen vergeven, ook al heeft ze het niet expres gedaan natuurlijk. Ik kan het niet opbrengen om haar schuldgevoel weg te nemen. Ook niet uit respect voor mijn moeder.

Ik hield haar hand vast toen ze doodging. De monitoren werden uitgezet en het zou binnen vijf minuten gebeurd zijn. Het duurde nog ruim twintig minuten voor ze stierf. Mijn moeder wilde mij niet alleen laten. Alles wat ik nog wilde zeggen heb ik kunnen doen. Toen ze eenmaal dood was, werd ze direct weggereden. Dat was omdat ik had gekozen voor donorschap. Ze had geen donorcodicil, maar omdat ik als klein meisje misschien donorbeenmerg nodig zou hebben tegen de leukemie, weet ik zeker dat mijn moeder ook graag anderen had willen redden. Toen ze weg werd gereden, schakelde ik om: nu moet er van alles geregeld worden. Huilen ging niet meer. Ik was bang dat ik helemaal niet meer zou kunnen huilen. Het frustreerde me, maar ik kon er niets aan doen, het kwam er niet uit. Daar heb ik erg mee gezeten.

Ik merk een heel duidelijk verschil tussen het verlies van mijn vader en mijn moeder. Toen ging ik gewoon door, onbevangen. Ik was kind, iemand anders nam de taken op zich. Nu moet ik alles zelf doen en komt het veel harder binnen dan toen. Veel heftiger. Sinds mijn moeder dood is, mis ik mijn vader meer. Nu zie ik op straat ineens wel kinderen met hun vader lopen en maakt het me soms jaloers. Voorheen heb ik dat nooit gehad. Toch wil ik niet als een zeur overkomen. Honderd keer vraag ik aan mensen of ik ze niet tot last ben. Ik ben mijn vriendinnen zo dankbaar. Ze stonden meteen klaar toen mijn moeder werd aangereden. Ze bleven bij me slapen, reden mij heen en weer tussen huis en ziekenhuis, schreven de enveloppen voor de rouwkaarten. Ze hebben mij zelfs onder de douche gezet toen ik niets meer kon.

Ik heb het gevoel dat ik veel moet: eerst het regelen van de uitvaart, daarna alle administratieve zaken en het leeghalen van mijn moeders huis. Gelukkig doe ik het niet alleen, maar ik voel me schuldig dat mijn vriendinnen en mijn familie zoveel voor me doen. Hopelijk krijg ik ooit een eigen leven, een man en kinderen. Dat zou ik heel graag willen. Anders houd ik het gevoel: waar doe ik het allemaal voor? Ik ga naar mijn werk en ik sport, maar kom altijd terug in een leeg huis. Dat is niet waar het leven voor mij om draait.

Mijn moeder wist alles van mij, ze kende mij beter dan ik mezelf ken. Zelfs als puber vertelde ik haar alles. Samen bezochten we alle steden binnen Europa. Winkelen, heel veel fietsen en wandelen. Dat doe ik nog steeds graag, maar nu alleen. De simpele dingen, daar konden we van genieten samen. Als we op een balkon in de zon zaten, zeiden we tegen elkaar: ‘Wat hebben we het goed hè?’ Ik ben heel blij dat we ons daar zo bewust van zijn geweest, de kleine dingen die het leven mooi maken. Dat probeer ik nog steeds te doen.

Er stonden vroeger thuis geen foto’s van mijn vader. Mijn moeder had een hekel aan foto’s. Ze zei: ‘Ik wil niet terugkijken, alleen maar vooruit’. Want dat wat is geweest, is vaak naar. We moesten door, vond ze. Zelf heb ik wel een foto van mijn moeder in huis staan, samen met twee gedroogde roosjes uit het rouwboeket. Op haar crematie heb ik bewust nergens foto’s geplaatst. Toen ik haar foto voor het eerst thuis neerzette, zei ik: ‘Tja, nu sta je in een lijstje’. Dat had ze nooit gewild. Ik hecht wel iets meer waarde aan foto’s, maar zou bijvoorbeeld nooit een fototoestel meenemen op vakantie. De herinnering zit in jezelf.

Wat maakt dat ik hier doorheen kom, is de wetenschap dat mijn moeder ook nooit op heeft gegeven. Zij kon genieten als ze zag dat anderen genoten, dat geldt voor mij precies zo. De belangrijkste les die ik heb geleerd uit het verlies van mijn ouders is: zie wat je wel hebt, niet wat je niet hebt. Ik heb heel lieve vriendinnen en twee ooms die altijd voor mij klaarstaan en een fijne baan, dat koester ik. Al het verdriet heeft me sterker gemaakt, terwijl ik voorheen dacht dat ik ook dood zou gaan als mijn moeder overleed. Dat sloeg om toen ze daadwerkelijk dood was, ik wilde het goed doen. Mijn moeder heeft hard geknokt voor mijn leven, nu moet ik dat ook blijven doen voor haar.