De kerk heeft geen dak meer, de school is leeggeplunderd

Veel bewoners ontvluchtten Gombi (Noordoost-Nigeria) toen Boko Haram oprukte. Ze keren nu mondjesmaat terug. Veel is verwoest, het dagelijks leven is improviseren geworden. Voor hun veiligheid vertrouwen ze alleen op hun eigen militie.

In de deelstaat Adamawa keren bewoners terug naar dorpen en steden nu het Nigeriaanse leger aan de winnende hand lijkt. Boko Haram heeft kerken, scholen en ziekenhuizen verwoest. Foto’s Reuters
In de deelstaat Adamawa keren bewoners terug naar dorpen en steden nu het Nigeriaanse leger aan de winnende hand lijkt. Boko Haram heeft kerken, scholen en ziekenhuizen verwoest. Foto’s Reuters

Dominee Paul Hamidu heeft net de zondagsdienst voorgedragen. Hij preekt onder een afdak van golfplaten. De gelovigen moeten in de openlucht bidden, want half januari staken strijders van Boko Haram hun kerk in Gombi, in het noordoosten van Nigeria, in brand.

Nog steeds heerst er angst. Nog geen honderd mensen kwamen vanochtend opdagen, terwijl de kerk in zijn glorietijd wel duizend leden telde. „Iedereen vreest Boko Haram”, zegt de pastor.

Dat geldt voor christenen én voor moslims. Nadat Boko Haram vorig jaar november zijn eerste aanval op Gombi lanceerde, begon het stadje leeg te lopen. De laatste paar weken echter, nu het Nigeriaanse leger aan de winnende hand lijkt, komen de bewoners mondjesmaat terug. Hun wacht de enorme klus van de wederopbouw.

Door zijn strategische ligging aan de doorgaande weg naar Yola, de hoofdstad van de deelstaat Adamawa, heeft Gombi het zwaar te verduren gehad. Tot drie keer toe probeerde Boko Haram het provinciestadje in te nemen. De laatste keer, in maart, kwamen ze met tientallen pick-ups vol ammunitie, duidelijk van plan dit keer hun slag te slaan.

Steeds werden de aanvallen na zware gevechten met het leger afgeslagen. Wel raakte het stadje almaar leger en zwaarder beschadigd. Boven zwartgeblakerde akkers hangt nog altijd een rooklucht. In het stadje zelf wordt de doorgaande weg geflankeerd door uitgebrande winkels, gezondheidscentra, scholen en kerken.

Natuurlijk zijn we bang

Dominee Hamidu staat in zijn lege kerk zonder dak, de stenen muren zwartgeblakerd, de vloeren schoongeschrobd door de kerkgangers. Malama Chiwar klemt haar bijbel onder de arm terwijl ze het kerkterrein afloopt. De verpleegster keerde drie weken geleden terug naar haar geboortestad, die ze november vorig jaar ontvluchtte. „Natuurlijk zijn we bang. Maar we kunnen niet voor altijd wegblijven”, zegt ze.

Veel klinieken zijn platgebrand en de openbare ziekenhuizen zijn nog niet open. Dus nu komen zieke mensen bij haar aan huis. „Ik kan inspringen als iemand thuis bevalt. En bij veel voorkomende ziektes zoals malaria ook. Maar voor ernstige gevallen ben ik niet opgeleid.” Komt nog bij dat er nauwelijks medicijnen zijn. Voor Malama Chiwar is verplegen op dit moment vooral improviseren.

Ook Tina Paul Banu, conrector van een middelbare school, moet improviseren. Ze keerde twee weken geleden terug met haar man en vier kinderen, nadat de overheid erop had aangedrongen dat de scholen weer opengingen. Ze trof de klaslokalen leeggeplunderd aan. De schoolbanken waren meegenomen, waarschijnlijk om gebruikt te worden als brandhout.

Nu volgen de leerlingen de lessen opeengepropt op een paar inderhaast getimmerde houten bankjes met hun schrift op schoot. Ook aan lesmateriaal is gebrek: „Kinderen die het geluk hebben een studieboek te bezitten, vragen we dat te delen met hun medeleerlingen.”

Gombi ligt hemelsbreed een kleine tachtig kilometer ten zuiden van Chibok, het stadje waaruit Boko Haram vorig jaar april ruim 250 schoolmeisjes ontvoerde. Ouders denken wel twee keer na voordat ze hun kinderen naar school sturen, zegt de conrector. Vóór Boko Haram telde haar middelbare school 475 leerlingen, nu zijn dat er slechts 20.

Volgens Banu ligt dat aan de afgelegen ligging van het gebouw in een buitenwijk van Gombi. In het centrum komen meer leerlingen. Daar is het veiliger, denken de ouders, in de nabijheid van het hoofdkwartier van de zogeheten hunters, de burgermilities die het leger bijstaan in de strijd tegen Boko Haram.

Een kogel per keer

Alhaji Yakubu Aliyu is leider van de lokale militie van vrijwilligers in Gombi. Hij leunt op zijn jachtgeweer en kijkt uit over de twaalf voertuigen die zijn mannen op Boko Haram hebben veroverd, als trofeeën langs het asfalt geparkeerd.

Vooral op de grijze pick-up waarop de islamistische strijders op de zijkant in Arabisch schrift de tekst ‘Geen andere God dan Allah’ hebben gekalkt, zijn ze trots. Met zijn allen poseren ze voor dit voertuig. De meesten broodmager, eentje loensend, lopen ze rond in hun stoffige kloffie, bewapend met lokaal geproduceerde jachtgeweren die een kogel per keer schieten. Ze gebruikten hun geïmproviseerde wapens altijd om op wild te jagen.

„We schoten antilopes en buffels, en hielpen de politie soms met het jagen op gewapende overvallers”, zegt Aliyu. Toen Boko Haram opkwam, sprak het voor zich dat de jagers in samenwerking met politie en leger in actie kwamen om zichzelf en hun gemeenschap te beschermen.

In het noordoosten van Nigeria vertrouwen de mensen voor hun veiligheid op zichzelf. Tijdens aanvallen van Boko Haram gingen de regeringssoldaten er meer dan eens samen met de bevolking vandoor. De politie is vooral bedreven in het afpersen van burgers. Zo telde de 110 kilometer lange weg van Yola naar Gombi elf controleposten van leger en politie. Maar die deden geen veiligheidschecks. Wel moesten de meeste reizigers steekpenningen afdragen.

De kleine duizend vrijwilligers van de ‘Hunters Group of Sarkin Baka’ kennen de lokale gemeenschap in het stadje en het savannegebied eromheen. Zij helpen de autoriteiten verdachte types te identificeren en fungeren als gidsen.

Dat Boko Haram er nooit in is geslaagd Gombi te veroveren, is volgens de burgers mede te danken aan het optreden van hun eigen hunters. Er wordt gefluisterd dat ze over magische krachten beschikken waardoor ze aanvallers in een oogwenk kunnen desoriënteren. Gevraagd naar hun geheim, glimlacht de militieleider. Hij wijst naar de hemel: ze vertrouwen op Allah.

De jagers blijven paraat

Het Nigeriaanse leger, dat half februari met hulp van de buurlanden eindelijk een serieus offensief begon tegen Boko Haram, zegt dat alle terroristen uit de deelstaat Adamawa zijn verdreven. De jagers blijven echter paraat, zegt Alhaji Yakubu Aliyu. „De vijand kan doen alsof hij verslagen is, maar Boko Haram kan gewoon onder ons zijn.”

De terroristen rekruteren onder de lokale bevolking. Voor sommigen is het beetje geld dat Boko Haram betaalt een uitweg uit uitzichtloze armoede. Dergelijke strijders leven gewoon in de gemeenschap, je herkent ze verder nergens aan. Zulke informanten kunnen op ieder moment in actie komen, zegt Aliyu. „Daarom slapen wij met onze ogen open.”

Eergisteren nog ontdekten de hunters dat een van hun leden een infiltrant was die hun patrouilleroutes doorgaf aan Boko Haram. Zes weken geleden betrapten ze nog een man die in een moskee bij een busstation een bom probeerde te laten afgaan.

Wat hebben ze met die verdachten gedaan? „Die hebben we gedood”, zegt Aliyu. De jagers geloven niet in de officiële, door en door corrupte rechtsgang.

Op honderd meter van de Hunters Group aan de overkant van de weg verkoopt Ya’u Sulaiman (35) zijn fruit. De nabijheid van de burgermilitie kon niet verhinderen dat vier maanden geleden bij een van de bestormingen zijn kiosk in vlammen opging.

Hij verkoopt zijn watermeloenen en sinaasappels nu in een houten kraam onder het zwartgeblakerde golfplaten dak van zijn oude winkel, het enige dat nog over was van de kiosk die hij zelf bouwde en waarvoor hij vijf jaar had moeten sparen.

De winkels achter hem gingen ook in rook op. De eigenaren zijn nog niet teruggekeerd. Zij vrezen dat Boko Haram terug zal komen, denkt hij, maar Ya’u Sulaiman heeft geen keus: „Hier verdien ik mijn geld. Hoe kan ik anders mijn gezin onderhouden?” Hij heeft twee vrouwen en zeven kinderen.

De zaken staan er matig voor. Sinds de weg naar de grote markt weer begaanbaar is, kan hij weliswaar makkelijk aan bananen, ananas en andere koopwaar komen. Maar in de half verlaten stad ontbreekt klandizie. „Er is wel weer fruit, maar wie gaat het van me kopen?”