Weer helemaal terug om te buffelen

Plotseling was het leven lijden. „Je bent zo ziek, dat je denkt: als het zo blijft, dan hoeft het voor mij niet meer.” Maar roeicoach René Mijnders is weer hersteld.

René Mijnders: „Het ‘maken’ van een succesvolle Acht is een hele kunst. Het is een machine, die heel fijn afgesteld moet worden. Wie geeft het ritme aan, wie zorgt er voor power.”
René Mijnders: „Het ‘maken’ van een succesvolle Acht is een hele kunst. Het is een machine, die heel fijn afgesteld moet worden. Wie geeft het ritme aan, wie zorgt er voor power.” Foto: Olivier Middendorp

Het leven lachte hem altijd toe. Een coachcarrière geplaveid met succes, geornamenteerd met het edelmetaal van alle grote roeitoernooien: goud, twee keer zilver en brons op de Spelen. En dan is het voor de „pure levensgenieter”, zoals René Mijnders zichzelf noemt, plotseling afgelopen. Kanker, in prostaat en dikke darm. Voorjaar 2013, Mijnders’ leven staat op z’n kop. Hij zit dan als technisch directeur van de roeibond ook nog eens midden in een zware post-olympische evaluatie. ‘Londen’ is het jaar er voor slecht verlopen met slechts één bronzen medaille voor de vrouwen Acht.

„Ineens is alles anders, staat je leven in een heel ander perspectief. Dat is heftig. Eerst bestraling, daarna een operatie. Vervolgens allerlei complicaties. Darmen, die ermee ophouden maar wel gassen blijven produceren. Alles zwelt op. Je bent je zo ziek, dat je denkt: als het zo blijft, dan hoeft het voor mij niet meer”, vertelt Mijnders (59) op het terras van het restaurant aan de Bosbaan. En dan komt er ook nog eens een ziekenhuisbacterie overheen. „Lig je op een geïsoleerd kamertje van drie bij drie dat helemaal vol staat met medische spullen. Kopje thee door een sluisje, een raampje met uitzicht op een blinde muur. Het verschil tussen dag en nacht vervaagt. Daar zijn mijn kinderen nooit geweest.”

Hij kan het nu allemaal weer ontspannen vertellen. De artsen hebben hem beter verklaard, sinds maart is hij weer aan de slag bij de roeibond. Nu begeleidt hij samen met Mark Emke de ‘zware mannen’, waarvan de Acht het vlaggenschip is. Met het koningsnummer brak hij door als coach: goud met de befaamde Hollandse Acht van Atlanta in 1996. Met kampioenen aan boord als Nico Rienks en Ronald Florijn. De kracht van de boot? „Ervaring en koppigheid. Begonnen uit verzetsdrang tegen de roeibond die vond dat een Acht helemaal niets voor Nederland was. Die was alleen voor de echt grote roeilanden weggelegd, vonden ze.”

Teveel gedoe

Mijnders maakt weer volle dagen. „In het begin is de sport helemaal uit je hoofd verdwenen. Maar gaandeweg kreeg ik weer zin om tegen een berg op te fietsen.” Roeien? „Dat doe ik al jaren niet meer. Je moet lid zijn van een vereniging, je moet een boot hebben, die boot deel je dan weer en alles moet worden afgesteld. Dat is veel meer werk dan even een fiets uit de schuur halen. Roeien is gewoon teveel gedoe. Maar ik verlang er soms wel naar: het is heel lekker als een bootje goed loopt.”

Zelf was hij geen ‘top’, zat er wel tegenaan. Een keertje Nederlands kampioen geweest, twee keer op een WK geroeid. „Maar daar was ik geen pottenbreker.”

Hij geniet nu weer van alles, heel intens. Van zijn kinderen van zes en acht, van de wind, van de Bosbaan. En er is werk aan de winkel: de Olympische Spelen in Brazilië komen eraan. „Drie medailles moeten haalbaar zijn.” Op de WK dat eind augustus in het Franse Aiguebelette begint moeten de Nederlandse roeiers zich kwalificeren. „De ploegen moeten aannemelijk maken dat ze op koers liggen.”

Bij de zware mannen (gewicht zonder limiet, bij lichte mannen gemiddeld hooguit 70 kg.) is volgens Mijnders „minimaal één medaille” te behalen. „Als we die niet halen hebben we het niet goed gedaan. Bij de Holland Acht liggen goede kansen. Internationaal liggen de boten dicht bij elkaar. De Duitsers zijn traditioneel heel sterk, maar de verschillen zijn heel klein. En onze Acht is nog niet uitontwikkeld.” Over skiffeur en Nederlands toptalent Roel Braas valt nog niet veel te zeggen. Zijn is vader is twee weken overleden. „Dat heeft Roel zeer aangegrepen.” En in de eenmans boten is de concurrentie heel hard. „Alles moet daar kloppen: technisch, fysiek, mentaal. In de skiff moet je heel sterk zijn.”

Ook bij de zware vrouwen verwacht hij minstens een Olympische medaille. De dubbel vier en de twee zonder zijn nu de prioriteitsboten, maar die kunnen ook in een Acht opgaan. „Als we alles op één kaart zetten is een medaille haalhaar, maar lijkt goud toch ver weg. De Amerikanen zijn nu veel te sterk.” Hij vindt het project 2020 van roei-icoon Nico Rienks, die met zij-instromers uit andere sporten een kansrijke vrouwen-Acht voor de Spelen van Tokio wil formeren, zeer interessant. „Bij de vrouwen geloof ik daar wel. Als je nu kijkt naar de Amerikaanse Acht, die is fysiek zoveel beter dan wij, omdat ze een enorme pool aan sterke ‘werkpaarden’ hebben. Het is een goed project waar goede roeisters uit kunnen voortkomen. Bij de mannen werkt zo’n aanpak minder. Daar is de weg naar de top toch langer.”

Machine

Het ‘maken’ van een succesvolle Acht is een hele kunst, weet Mijnders. Het is een machine, die heel fijn afgesteld moet worden. Wie geeft het ritme aan, wie zorgt er voor power. „Als je één positie wisselt kan dat een enorme impact hebben. In een klein nummer voel je elkaar veel beter, en voel je wat je eigen invloed op de boot is. De Acht is zo massief, dat je je eigen invloed minder merkt. Een heel mooi nummer, meer maakbaar dan de kleine nummers”.

Als technisch directeur formuleerde hij de top-vijf ambitie voor het Nederlandse roeien. Een plek bij de vijf sterkste landen van de wereld zit er voorlopig niet in. Roeinaties als Nieuw-Zeeland, Australië, de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Duitsland liggen nog altijd flink voor.

Het verschil met de toplanden, zegt Mijnders, zit niet meer in kennis, trainingsmethodieken, monitoring, faciliteiten. Daar heeft Nederland een behoorlijke inhaalslag gemaakt. Nee, het verschil zit toch voor een deel nog altijd in het fysieke. „Nederlandse roeiers zijn mondig, van nature niet zo gericht op buffelen, want dat is niet artistiek genoeg. We willen het beter en slimmer doen de anderen. En denken dat we daardoor harder gaan varen dan de rest. Maar toplanden buffelen wel.

Het gaat dus niet alleen om efficiënt en technisch roeien, het fysieke aspect is ook heel belangrijk. Toproeien is geen lifestyle”.

Ergometeren dus, maar ook niet alles op kracht focussen. Mijnders leerde in aanloop naar ‘Londen’ een harde les met de aanstelling van buitenlandse coaches die het Nederlandse navelstaren moesten doorbreken met harde trainingsmethoden. De Italiaanse coach Antonio Maurogiovanni, voor de Spelen van 2013 ontslagen, bracht de Holland Acht wel kracht bij maar zijn trainingen gingen ten koste van techniek en bootsnelheid.

Beulen

„Twee jaar voor Londen bleven we fysiek sterk achter bij de rest. De kennis hadden we op dat moment niet in huis, dus moesten we die inkopen. We hebben ons vergist. Antonio was zo radicaal anders en zijn trainingen stonden zo haaks op de Nederlandse roeicultuur. Bij hem was het alleen maar beulen en nog eens beulen. Terwijl wij veel meer kijken naar technische opbrengst, efficiency, bootgevoel. Dat zijn traditioneel onze sterke punten. Alles werd bij hem overboord gegooid en het roeien werd gereduceerd tot een fysiek spelletje. Stiekem pik je daar wel dingen uit. De les: de roeiers werden wel fitter. Het moet dus én-én zijn.”

Om het verschil met de wereldtop te overbruggen, zegt Mijnders , moet de instroom van talenten verder worden vergroot. Roeien is van oudsher een studentensport en dat betekent dat de meeste roeiers pas op hun achttiende met hun sport in aanraking komen. En er is grote doorstroming. „Zonder studenten zouden we mondiaal weinig voorstellen. Er zit een sterke verenigingscultuur achter. Maar het ontbreekt in het land aan junioren. Qua junior-roeien zijn we een klein land, omdat we maar maar een beperkt aantal burgerverenigingen hebben. In Engeland, Duitsland, Nieuw-Zeeland en Australië is het schoolroeien heel groot. Dat geeft je zo’n enorme voorsprong.”