Opinie

Toeristische magneten

Kort na een vrij optimistische column van mijn hand over de wassende toeristenstroom naar Amsterdam meldt de Volkskrant dat „Europa met een invasie van toeristen worstelt”. De krant citeert The Wall Street Journal die een rondgang maakte langs historische bezienswaardigheden en musea zoals het Rijksmuseum. Door de florissante stand van de dollar ten opzichte van de euro zullen ‘horden Amerikaanse toeristen’ voor het eerst naar Europa reizen, terwijl ook het toerisme vanuit Azië opbloeit.

The Wall Street Journal noemt huiveringwekkende cijfers over de magneten van het massatoerisme. De Sixtijnse Kapel (6 miljoen verwachte bezoekers) en het Louvre (9 miljoen verwachte bezoekers) rekenen erop dat dit seizoen de kaartverkoop met zestig procent toeneemt, de Eiffeltoren zelfs met 170 procent. Geen wonder dat de omgeving van de Eiffeltoren zó aantrekkelijk is geworden voor agressieve zakkenrollers, dat het zich bedreigd voelende personeel onlangs in staking ging.

Het publiek klaagt op internet steen en been over de drukte in de musea. De klachten lijken sterk op die over het Rijksmuseum tijdens de Late Rembrandt-expositie. Elke dag reppen zich meer dan 40.000 mensen alleen al naar de Mona Lisa in het Louvre. „Mijdt dit museum, zoals een Fransman de guillotine ontloopt”, schreef een bezoeker. Bij enkele trekpleisters, zoals het Paleis van Versailles en Het Laatste Avondmaal in Milaan, wordt er soms al publiek teruggestuurd.

Daarmee vergeleken valt de situatie in Amsterdam nog mee. Dat viel me ook weer eens op tijdens mijn recente weekje Parijs. Hoewel het hoogseizoen nog niet eens begonnen is, was het er op een aantal plekken al bijzonder druk. Niet alleen bij de grote musea, maar ook in Montmartre en de Tuilerieën. Er lijken vooral veel meer grote groepen, onder leiding van een gids, aan de wandel; dat zie je ook in Amsterdam vaker.

Wat mij bij dat alles meer dan ooit opvalt is het in zichzelf (of zijn metgezellen) gekeerde gedrag van veel toeristen. Men snelt naar een attractie, niet zozeer om die attractie te fotograferen, als wel zichzelf of zijn groepsgenoten tegen de achtergrond ervan. Vaak wordt de attractie zelf genegeerd en volstaat men met een (groeps)selfie. Voor de handel is het prettig: in Parijs lopen al veel sjacheraars met selfiesticks te leuren.

De rage met de liefdessloten, verankerd aan de bruggen over de Seine, is ook zo’n uiting van uit de hand gelopen narcisme. Parijs heeft nu besloten er een einde aan te maken, het wordt te gevaarlijk: deze week wordt op de Pont des Arts en andere bruggen begonnen met de opruiming ervan.

Ter relativering: klachten over het toerisme zijn niet van vandaag of gisteren. Ik las er laatst een stukje over van Stephen Leacock, een humoristische Canadese schrijver, in zijn bundel Short circuits. Het heette: „De mensen die net terug zijn uit Europa en die nooit thuis hadden moeten weggaan”. Hij vraagt net teruggekeerde Amerikaanse toeristen naar hun ervaringen in Europa. Wat blijkt? Ze praten alleen maar over hun ervaringen met de landgenoten met wie ze op stap waren.

„Venetië is zeker prachtig?”, vraagt hij. „Jazeker”, is het antwoord. „We waren er met mensen uit Tallahassee, Florida, en die zeiden dat als je goed kijkt naar de lagunes en moerassen rond Venetië, dat het dan net Talahassee is.”

Wanneer schreef Leacock dit? In 1928.