Nieuw werk Theo Verhey met pakkende melodieën

De Vrijdag van Vredenburg sloot het seizoen af in stijl, met nieuw werk van een Nederlandse componist. Theo Verbey (1959) schreef de liederencyclus voor koor en orkest Traurig wie der Tod – ondanks de weinig opbeurende titel geen bijzonder zwaarmoedige muziek. Het stuk werd jubelend onthaald.

Verbey gebruikte teksten uit Die Chinesische Flöte van Hans Bethge, met bewerkingen van Tang-dynastiepoëzie. Mahler putte uit dezelfde bundel voor zijn symfonische liederencyclus Das Lied von der Erde, maar idiomatisch kiest Verbey een heel ander spoor. Zijn vijfdelige werk is een stilistische palindroom, beginnend in de twintigste eeuw, via de negentiende naar de achttiende en weer terug. Dat is een leuke vondst; helaas overtuigt de uitwerking niet.

Het openingslied is veelbelovend. Verbey verstaat de kunst enigszins abstracte en toch meeslepende texturen en melodieën te schrijven, met pakkende hooks. Weelderige koorharmonieën worden verluchtigd met slimme orkestdetails.

Maar de lyriek wil maar niet zingen, de pseudo-Mozart-polyfonie van lied 3 is net te braaf. Traurig wie der Tod zit stevig in elkaar, maar komt alleen bij vlagen tot leven, bijvoorbeeld in de enerverende orkestrale tussenspelen, wanneer Verbey de formele teugels laat vieren. Het verstilde maar haastige einde krijgt niet de kans louterend te werken.

Het contrast met de échte negentiende eeuw – Berlioz’ spetterend gespeelde Symphonie Fantastique – was groot. Orkest en koor waren onder de swingende James Gaffigan uitstekend.