Marc Albrecht plaatst uitroeptekens bij Bruckner

Een Brucknersymfonie als een avontuurlijk jongensboek. Zo benaderde chef-dirigent Marc Albrecht twee jaar geleden de geliefde Zevende symfonie bij zijn Nederlands Philharmonisch Orkest: uitbundig en humoristisch, maar met wat weinig oor voor de mystieke lading.

Bruckners Zesde symfonie is door het speelse en rusteloze karakter minder populair, maar des te geschikter voor Albrechts onstuimige dirigeerstijl. In het eerste deel vertrok hij zondag in het Concertgebouw met sportieve tred en werden er wel heel felle uitroeptekens geplaatst. In het Adagio – behorend tot het mooiste dat Bruckner componeerde – vond de dirigent gelukkig ook een fraaie balans tussen hormonale opwinding en dromerige verstilling. Te midden van bescheiden houtblazers gloeiden de hoorns en strijkers hier des te feller. In de grillige finale behield het orkest overtuigend koers.

Net zo eigenzinnig als Bruckner was Alban Berg, wiens Pianosonate opus 1 uit 1908 bijna knapt door dissonante spanning. De befaamde orkestratie van Theo Verbey doet recht aan die lading, met aanvankelijk een voorzichtig strijkkwartet dat vrijwel meteen uitgroeit tot vol orkest met krijsende trompetten.

Albrecht liet bij deze ouverture de spanning een enkel moment inzakken, maar compenseerde in het Tweede pianoconcert van Liszt: de snelle marsritmes waren strak en gecontroleerd, de coördinatie met pianist Francois-Frédéric Guy volmaakt. Wel spijtig dat Guys muzikale verbeelding soms groter is dan hij technisch tot uitdrukking weet te brengen.