Is het dan toch allemaal voor niets geweest in Afghanistan?

Onze inspanningen beklijven alleen als we tientallen jaren betrokken blijven en structurele nazorg leveren, meent Jorrit Kamminga (Oxfam Novib, Instituut Clingendael).

Bijna negen jaar geleden schreef ik in deze krant over de eerste hevige gevechten van de Nederlandse soldaten in de Baluchi-vallei tussen Chora en Tarin Kowt in de provincie Uruzgan (Van opbouwmissie naar vechtmissie, 27 juli 2006). Nu is dit wederom een van de plekken waar hevig wordt gevochten en waar de Talibaan hard op weg zijn om de controle over grote delen van Uruzgan weer veilig te stellen.

De situatie in Uruzgan is geen uitzondering. In Baghlan, waar Nederland een militaire bijdrage leverde tussen 2004 en 2006, werden eind mei nog acht Talibaan-strijders en vijf politieagenten gedood in hevige gevechten. De Afghaanse veiligheidstroepen zijn er sinds het begin van deze maand bezig met een groot offensief tegen de oprukkende Talibaan. In Kunduz, waar Nederland tussen 2011 en 2013 de Afghaanse politie trainde, is de situatie nog slechter. Ruim tienduizend families zijn er de afgelopen tijd op de vlucht geslagen voor zware gevechten tussen de Talibaan en de Afghaanse strijdkrachten, waarbij de stad Kunduz op het spel staat. En in Mazar-e-Sharif, waar de Nederlandse politietrainers nu zitten, werd begin april nog het kantoor van het Openbaar Ministerie door de Talibaan aangevallen.

De grote vraag die zich noodzakelijkerwijs opdringt, is of dit betekent dat de Nederlandse inspanningen en de inzet van Nederlandse soldaten allemaal voor niets zijn geweest? Op puur militair-strategisch vlak lijkt het antwoord vrij duidelijk, in ieder geval op de korte termijn. Maar de situatie is ingewikkelder als men naar het grotere plaatje van ontwikkeling en politieke stabiliteit kijkt op de langere termijn. Er bestaat geen glazen bol waarin we kunnen zien hoe Afghanistan er over vijf of tien jaar voor staat, maar Nederland heeft wel degelijk een belangrijke bijdrage geleverd aan het ontwikkelingsproces in het land.

Dat er vorig jaar – weliswaar te midden van grootschalige verkiezingsfraude – een relatief vreedzame en democratische machtswisseling heeft plaatsgevonden in Afghanistan, is zeker ook de verdienste van de Nederlandse en internationale inspanningen. De Afghaanse maatschappij is bovendien onherkenbaar veranderd. Er zijn nu geïnformeerde politieke debatten en jongeren zitten massaal op Facebook en Twitter. Daarnaast wordt er nu steeds meer ook over etnische scheidslijnen heen gestemd, gepraat en samengewerkt, een vaak onderbelichte vorm van structurele vooruitgang. En over de enorme verbeteringen op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs, vooral ook voor meisjes en vrouwen, is al genoeg geschreven.

Zelfs op militair terrein is er een hoop verbeterd. Dat het in razendsnel tempo opgeleide en georganiseerde Afghaanse leger in de meeste gebieden nu überhaupt zonder steun van NAVO-troepen redelijk standhoudt, is ook gedeeltelijk terug te voeren op de internationale ondersteuning die nog steeds gaande is. Wel is daar een kritische kanttekening bij te plaatsen. De ondersteuning van de door de NAVO geleide internationale troepen is veel te snel en op basis van verkeerde afwegingen afgebouwd. Niet de veiligheid of stabiliteit vormde daarbij de leidraad, maar vooral de binnenlandse politieke en financiële beweegredenen op plekken ver weg van Afghanistan zoals op het Binnenhof.

De huidige situatie roept dan ook zeker vragen op waarvoor Nederlandse politici de kop niet in het zand zouden moeten steken. Waarom werd er in 2011 niet gekozen om een politietrainingsmissie in Uruzgan op te tuigen? Was het niet beter geweest om in ieder geval zo lang mogelijk door te gaan in Uruzgan in plaats van steeds kleinere missies op te tuigen op plekken waar Nederland tot dan toe geen enkele ervaring had? Waarom bombarderen Nederlandse F-16’s nu stellingen van IS in Irak, waar we in het verleden de internationale militaire missie louter politiek steunden, en doen we nu niet hetzelfde bij de Talibaan in Deh Rawod? En wanneer geven we eindelijk toe dat we het allemaal toch onderschat hebben en zowel de impact als duurzaamheid van de Nederlandse inzet te rooskleurig voorgesteld hebben in talloze Kamerdebatten en evaluaties?

Het begrip duurzaamheid is in Politiek Den Haag zelfs op twee manieren onzuiver gebruikt. Door de verschillende Nederlandse regeringen is ‘duurzaamheid’ van de in Afghanistan geboekte resultaten te veel beloofd en door de oppositie is deze te veel geëist. Het is steeds duidelijker geworden dat onze inspanningen alleen beklijven bij een stevige betrokkenheid van tientallen jaren en bij goede, structurele nazorg, zowel op ontwikkelings- als veiligheidsgebied. Toch worden deze lessen eigenlijk niet of nauwelijks getrokken en zitten we inmiddels met Nederlandse (trainings)missies in Mali, Irak en Zuid-Soedan, waarbij ook de betrokkenheid en nazorg op de langere termijn niet gegarandeerd kunnen worden. Afghanistan is niet verloren, ook niet met een militaire nederlaag in Uruzgan. Het wordt anders als Kabul zou vallen, omdat dan ook vredesonderhandelingen in het geding komen. Alles staat of valt op de langere termijn bij een politieke oplossing, die voorlopig helaas nog ver te zoeken is. Maar Nederland en de internationale gemeenschap moeten dit moment wel aangrijpen om serieus de veel te snel afgebouwde hulprelatie te heroverwegen.