Glimlachen in Rusland kan écht niet

Aafke Beukema toe Water probeert zich altijd zo goed mogelijk aan te passen aan haar omgeving. Maar ‘normaal doen’ kan nog knap lastig zijn.

Links of rechts aanhouden? In Londen is er geen concensus meer en loopt iedereen slalommend over straat. foto thinkstock
Links of rechts aanhouden? In Londen is er geen concensus meer en loopt iedereen slalommend over straat. foto thinkstock

‘Wij passen ons toch ook aan als we ergens anders zijn?” zei mijn moeder altijd toen wij in het streng islamitische Brunei woonden en kuis gekleed de straat op gingen. Die gewoonte heb ik van harte overgenomen. In Indonesië droeg ik alleen maar kleding tot over de knie en tot over de schouder. Als ik in Iran ben, draag ik m’n hoofddoekje zo braaf dat mijn Iraanse schoonmoeder steeds zegt: „Je moet je haar niet zo bedekken, dat ziet er hartstikke raar uit!”

In elke nieuwe omgeving probeer ik erachter te komen wat het wenselijke gedrag is in de publieke ruimte. Waar mogelijk pas ik me aan. In Sint-Petersburg stoort het mensen zichtbaar als je hardop spreekt in het openbaar vervoer. Dus leerde ik zwijgend te reizen. Glimlachen in de openbare ruimte wordt er als onwenselijk gezien, dus internaliseerde ik mijn vrolijkheid en keek boos genoeg om voor Russin door te gaan. In Londen hechten mensen veel waarde aan ‘de rij’. Als je iets vergeten bent in de supermarkt terwijl je al in de rij staat, kun je in Nederland je oude plek in de rij bezet houden en snel nog even iets uit de winkel halen. In Engeland hoor je de rij te verlaten, je product uit het schap te pakken en weer achteraan aan te sluiten. Ik doe mijn best om mijn gedrag (of mijn irritatiegrens) aan te passen zodat ik kan participeren aan het dagelijks leven in een ander land. Maar ondanks al deze inspanning is ‘gewoon normaal doen’ een onmogelijke opgave.

Waarom? Allereerst omdat een normcultuur grotendeels onzichtbaar voor buitenstaanders. Zo kon ik bijvoorbeeld niet voorkomen dat ik in Indonesië een faux pas maakte door iets te klef te doen met mijn vriendje waar een cameraploeg van de nationale televisie bij was. We waren met een groep vrijwilligers een eilandje aan het schoonmaken en een reporter maakte tegen mijn vrienden een opmerking over het ‘buitenlandse stelletje’. Zij trokken zich die kritiek persoonlijk aan en schaamden zich, maar ik had niets door. Pas maanden later, toen ik weer in Nederland was, durfden ze het me te vertellen.

Een ander voorbeeld: wij Nederlanders hebben vaak niet door dat we veel harder praten dan in andere landen gebruikelijk is, of dat het onbeschoft is om meteen ‘ja graag’ te zeggen als iemand je iets aanbiedt. In zo’n situatie zou de geërgerde partij de aanstichters van de ergernis kunnen aanspreken op hun gedrag, maar dat zou dan op zichzelf weer behoorlijk onbeschaafd zijn.

Slalommend over de stoep

Daarnaast is het onmogelijk om je volledig aan te passen aan de normcultuur omdat het uiteindelijk onduidelijk is wat precies de norm is waar je je aan zou moeten houden. Ik hoorde de socioloog Willem Schinkel een keer de slimme opmerking maken dat een normcultuur zelf ook altijd pluriform is. In Londen zijn Engelsen een etnische minderheid. Is de normcultuur hier dan toch Engels? Overal in Londen lopen mensen bijvoorbeeld slalommend over de stoep omdat er geen consensus meer is over aan welke kant men moet lopen. Bovendien bestaat een mono-etnische samenleving ook uit conflicterende meningen en voorkeuren. Sommige mensen in Nederland vinden het ongezellig als niemand in de trein met elkaar kletst, andere mensen vinden het een schande als er hardop gepraat wordt. Als je normaal wil doen, welke richtlijn moet je dan volgen?

Soms wil ik zeggen waar ik zin in heb

De derde grens aan mijn aanpassingsvermogen is echter de belangrijkste: uit zelfbehoud heb ik het soms ook nodig dat ik simpelweg mezelf kan zijn. Ik doe mijn best om met niet-Nederlanders minder bot en direct te zijn dan met Nederlanders, maar af en toe wil ik ook zeggen waar ik zin in heb. „Wat vond je van die band?” „Echt vreselijk!” Als ik dan op iemands lange tenen ga staan, dan is dat jammer. In Iran ben ik een paar keer op straat aangesproken door vrouwen die het heel erg vonden dat ik geen make-up droeg en m’n Frida Kahlo-achtige wenkbrauwen niet had geëpileerd. „Terwijl je zó mooi zou kunnen zijn.” Ik leg hun opmerkingen naast me neer, omdat ik zelf wel bepaal wat ik met m’n gezicht doe.

De opmerking van die vrouwen lijkt erg op de Nederlandse vrouwen die zich zeggen te ergeren aan vrouwen die een hoofddoek dragen. Voor Iraanse vrouwen is make-up een van de vrijheden die ze met pijn en moeite hebben verworven in de Islamitische Republiek Iran. Voor mij is het dragen van weinig make-up onderdeel van mijn verzet tegen een type vrouwelijkheid die me in Europa wordt opgedrongen. De Iraanse vrouwen weten dat niet. Zij hebben het gevoel dat ik eventjes met m’n kaaskop over hun verworvenheden heen kom plassen. Ze voelen zich aangevallen, zoals ook veel Nederlandse vrouwen zich aangevallen voelen door vrouwen met een hoofddoek. Dat gevoel is echter gebaseerd op een misverstand: ik heb veel bewondering voor stille strijd tegen de Islamitische Republiek, maar heb tegelijkertijd ik mijn eigen redenen om me te gedragen zoals ik doe.

De suggestie dat mensen dus maar gewoon normaal moeten doen en zich heus wel een beetje kunnen aanpassen, doet dus geen recht aan de complexiteit van menselijk gedrag. Je kunt er gerust van uitgaan dat iedereen zich aanpast, maar je zult nooit weten waarom hij of zij een bepaalde keuze heeft gemaakt. Ik ben een vrouw die weinig make-up draagt. Die meneer rijdt heel langzaam op de linkerbaan. Sommige vrouwen dragen een stuk stof over hun haar. Andere mensen spreken een taal in de trein die je niet kunt verstaan. Waarom dat zo is? Je weet het niet en je kunt het niet weten.