Gekte zit in iedereen. Dat wil ik laten zien

Het is de Maand van het Spannende Boek. Van thrillerschrijfster Marion Pauw (41) – die donkere, edgy verhalen schrijft, mét humor – is dit jaar het geschenkboek Grijs gebied. (Maar binnenkort gaat ze stoppen met schrijven.)

Op driekwart van het gesprek, gevraagd naar haar toekomstplannen, zegt Marion Pauw (41) ineens: „Ik stop een tijdje met schrijven.” Het zou een afscheid op een hoogtepunt zijn. Pauw schreef dit jaar Grijs gebied, het geschenkboek voor de Maand van het Spannende Boek en was met Hemelen kanshebber op de Gouden Strop. In juli verschijnt haar zesde thriller, We moeten je iets vertellen. En dan is het voorlopig afgelopen.

„Ik heb in tien jaar tijd acht boeken geschreven. In het begin vond ik het isolement van het schrijversbestaan heerlijk, een bestaan zonder het gelul bij de koffieautomaten. Maar inmiddels vraag ik me af of het geestelijk wel gezond is om de hele tijd achter een computer te zitten en mijn thema’s heb ik voor mijn gevoel een beetje uitgekauwd. Het wordt tijd om de bron te laten bijvullen. Ik ga iets doen wat helemaal nieuw voor me is: een bedrijfje beginnen en proberen een nieuw product op de markt te brengen.” Wat, wil Pauw nog niet kwijt.

Had u het plezier in het schrijven verloren?

„Juist niet. In mijn laatste twee boeken heb ik mezelf helemaal de vrije hand gegeven. Ik had de neiging om de lat voor mezelf steeds hoger te leggen, waardoor ik op een gegeven moment geen letter meer op papier kreeg. Toen besloot ik me niets meer van mijn eigen verwachtingen aan te trekken en dacht ik: fuck it, ik ga gewoon een heel slecht boek schrijven. Dat is Hemelen geworden. Schrijven is een kwestie van ontremmen. Je moet niet denken aan wat anderen ervan vinden.”

Waarin onderscheidt uw werk zich?

„Ik houd van een beetje donkere, edgy verhalen, met humor. Humor zie je vrij weinig in thrillers, het is ook lastig: lachen relativeert, doet afbreuk aan de spanning, maar ik beleef er te veel plezier aan om het te laten. Bij mij zal het dan ook niet snel super-eng worden. Ik schrijf meer vanuit mijn personages dan vanuit een plot. Ik wil hun gekte laten zien. Die zit in iedereen, het is de vraag hoe het eruit komt.”

Wie vindt u de interessantste gek uit ‘Grijs gebied’?

„Er komt een buschauffeur in voor die getuige is van een aanranding, maar die zelf te bang is om 112 te bellen. Hij is een zestiger die het leven eigenlijk al had opgegeven, na een burn-out. Hij durft niets meer te doen. In tweede instantie krijgt hij het gevoel dat hij iets goed moet maken en dus gaat hij, nogal onhandig, op zoek naar de dader. Ik vroeg me vooral af hoe een getuige zich na zo’n incident nog een goed mens kon vinden. In gedachten zijn we allemaal verzetsstrijders, allemaal Hannie Schafts. Maar je weet niet wat er gebeurt, hoe je reageert in zo’n situatie. Kort nadat ik Grijs gebied had afgemaakt was ik zelf getuige van een nare vechtpartij en belde ik 112 vanuit mijn auto. Vervolgens kwam de dader op mij af. Ik zag de agressie en de ontoerekeningsvatbaarheid en wist meteen: die man gaat mij gewoon slaan. Dat deed hij ook. Na één klap liep hij weer weg.”

Had u achteraf de geweldsscène in het boek anders geschreven?

„Ik heb wel meer begrip gekregen voor de buschauffeur in mijn boek. Je weet echt niet hoe je reageert in zo’n situatie. Bovendien moet een thrillerschrijver vaak over angst schrijven, terwijl je juist daarbij al snel vervalt in clichés als een knoop in je buik of de haartjes in je nek die overeind gaan staan. Ik kreeg een totale freeze toen die man op me af kwam, wat geloof ik alleen in een gevecht met een beer effectief is. Na afloop bleek ik letterlijk in mijn broek geplast te hebben van angst.” Lachend: „Dat had ik nooit kunnen verzinnen, het is echt goed materiaal!”

In ‘Grijs gebied’ geeft u zelfs de dader een menselijk gezicht.

„Anders is het voor mij niet interessant. Ik zou nooit een boek over een psychopaat kunnen schrijven, ik wil weten wat iemand drijft. Dat geldt voor de dader, maar ook voor de getuige en het slachtoffer. Uiteindelijk willen ze allemaal op een bepaalde manier een goed mens zijn. Iedereen is als een kind dat een tekening heeft gemaakt en die trots aan zijn ouders laat zien. Ik ook.”