Opinie

Een oude boodschap in een slecht geleend jasje

Mark Rutte gaf vorige week kritiek op hufterigheid en egocentrisme in Nederland. Hij leende de term ‘dikke ik’ van filosoof Harry Kunneman. Dat klopt niet, zegt Floor Rusman.

Vorige week ontstond er opschudding omdat Mark Rutte een onkarakteristieke, Balkenende-achtige speech had gegeven. Op het VVD-congres had hij kritiek geleverd op hufterigheid en egoïsme: op de ‘grote dikke ik-mentaliteit’ in Nederland.

De term ‘dikke ik’ is alweer tien jaar oud en komt van de socioloog en filosoof Harry Kunneman. In 2005 publiceerde hij Voorbij het dikke-ik, waarin hij de grootheidswaan van het individu bekritiseerde: die uitte zich volgens hem in egocentrisme, onmatigheid en lomp gedrag.

Rutte noemde in zijn speech zeven voorbeelden van het dikke ik: topbestuurders in de publieke sector of bij banken die buitensporige bedragen eisen, mensen die het gezag van agenten en leraren niet erkennen, werklozen die direct een uitkering aanvragen, mensen die klagen over hun werk, scheefwoners, wereldvreemde politici en allochtonen die ‘als een calimero in een hoekje gaan zitten’ als ze worden gediscrimineerd op de arbeidsmarkt.

Een bonte stoet mensen dus. Ik vond het moeilijk om de rode draad te ontdekken in deze voorbeelden. Wat is de overeenkomst tussen een bonusbeluste bankier en een verse werkloze die een WW-uitkering aanvraagt? Misschien dat ze in de eerste plaats aan zichzelf (en aan geld) denken. Maar is dit in alle gevallen per definitie slecht? Een werkzoekende moet toch zijn huur en rekeningen kunnen betalen?

En hoe past iemand die klaagt over zijn baan binnen de categorieën ‘egoïsme’ en ‘hufterigheid’? Je kunt zo iemand een chagrijn vinden, maar in elk geval is hij niet te beroerd om te werken.

Ik heb geprobeerd toch een beschrijving te vinden die alle voorbeelden dekt en kwam uit bij het volgende: ‘Mensen moeten zich aan de regels houden, hard werken, normaal doen en niet klagen.’

Met Kunnemans definitie van het dikke ik heeft dit weinig meer te maken. Die ging namelijk voor een groot deel over toenemend consumentisme. In hun onverzadigbare zucht naar meer houden mensen geen rekening met bijvoorbeeld milieuvervuiling, zei Kunneman: de mensheid is kortzichtig bezig en ‘stevent op een ecologisch hartinfarct af’.

Het is logisch dat Rutte dit onderdeel niet noemde, want hij wil helemaal niet dat we onszelf matigen. In 2013 riep hij ons nog op meer te consumeren, om zo samen de economie op gang te spenderen. En over duurzaamheid hebben we hem na Groen Rechts (2008) ook niet meer veel gehoord.

Er was dus eigenlijk geen reden voor de opschudding: Rutte gebruikte een nieuwe term, maar vertelde zijn oude verhaal. Het verhaal van mensen die hun werk supergaaf vinden, ook als dat bestaat uit koffie inschenken. Kunneman zei in 2005 dat er behoefte is aan ‘inspirerende verhalen’ en ‘morele vernieuwing’; ik denk niet dat Ruttes speech hieronder valt.