Een gevoel van onveiligheid is levensgevaarlijk

Jussi Adler-Olsen is de grote nieuwe ster van de Scandinavische thrillerwereld. Zijn tiendelige serie zit boordevol verhaallijnen, tijden, personages en gebeurtenissen. „Een boek kan nooit te overvol zijn.”

De Deense schrijver Jussi Adler-Olsen, tijdens zijn recente bezoek aan Amsterdam.
De Deense schrijver Jussi Adler-Olsen, tijdens zijn recente bezoek aan Amsterdam. Foto Roger Cremers

In de jaren tachtig woonde de Deense thrillerauteur Jussi Adler-Olsen enige tijd in Nederland. In Schiedam. Daar, te midden van de Zuid-Hollandse kassen, kwam hij tot een verrassend inzicht. Met een twinkeling in zijn ogen vertelt hij het: „Waarom is Nederland zo’n knus, veilig landje? Omdat jullie aan de Noordzeekust gasbronnen hebben, en dat gas in lange pijpen naar het Westland leiden om tuinbouwkassen te verwarmen. Hierdoor kunnen jullie het hele jaar door oogsten. In Denemarken oogsten de boeren maar eens per jaar. Dat is een heel ander verhaal. We zijn daardoor weerbaarder tegen de elementen.”

Hij is enthousiast, tijdens het gesprek in een Amsterdams hotel. Dat komt doordat hij juist die ochtend, onderweg naar Nederland, de slotzin heeft bedacht voor zijn tiendelige detectivereeks, Serie Q, waarvan nu het zesde deel in vertaling is verschenen, De grenzeloze.

Hoe die zin luidt, wil hij natuurlijk nog niet prijsgeven, al licht hij een tipje van de sluier op: „De serie telt tien detectives van elk zo’n vijfhonderd bladzijden. Al die tijd wist ik niet hoe hoe ik moest eindigen, met welke passage of zin. Nu ben ik erachter. Ik kan wel onthullen dat de lezer na het tiende deel terug is bij het begin, bij af. Alle verhaallijnen komen er samen. Elk boek kun je afzonderlijk lezen, maar als je ze alle tien leest, beland je in een universum waarin alles met alles samenhangt. Ik houd nauwkeurig draaiboeken en scripts bij om alle verwijzingen scherp te houden.”

Vastgegrepen door de takken

De afdeling Q van rechercheur Carl Mørck en zijn assistent Assad is die van misdrijven uit een ver verleden. Adler-Olsen: „Q is een meesterlijke vondst die al die romans kan dragen. Er ontstaat een wedren, een concurrentie, tussen Mørck en rechercheurs van toen die niet in staat waren een zaak op te lossen. Mørck gaat verder waar anderen achterblijven.”

In De grenzeloze is het Deense eiland Bornholm nog altijd in de ban van een duistere zaak van zeventien jaar geleden: op een novemberochtend in 1997 vindt een jonge vrouw de dood. Vrolijk fietst ze over een landweg en wordt van achteren aangereden door een auto. Het meisje zwiept de hoogte in en komt in de boomkruin te hangen, ze wordt ‘vastgegrepen door de takken’, zoals Adler-Olsen prachtig beschrijft.

Is het moord, een ongeluk, zelfmoord omdat ze misschien zelf het stuur omgooide toen ze de auto hoorde naderen? De Bornholmse politie komt er niet uit. Een rechercheur neemt zichzelf dat eeuwig kwalijk. Bij zijn afscheidsreceptie schiet hij zich ten overstaan van collega’s en echtgenoten door het hoofd.

Uw boeken bieden een rijkdom aan verhaallijnen, tijden, personages, gebeurtenissen. Hoe overvol kan een boek zijn?

„Nooit te overvol. Voordat ik begon met het schrijven van misdaadromans was ik lector bij een uitgeverij en had ik twee boeken over Groucho Marx op mijn naam staan. Het lezen van andermans werk leerde me dat boeken veelzijdig moeten zijn. Ik las vooral eendimensionale romans, de zogenoemde ‘literatuur’, met een beperkte verhaallijn, een egocentrische visie of belevingswereld. Dat is te weinig.”

Waarin verschilt een misdaadroman van ‘zogenoemde literatuur’?

„Een misdaadroman heeft op zijn minst twee niveaus waarop een schrijver kan excelleren. Het eerste is de plotlijn, het tweede de lijn van de zaak. Die twee vullen elkaar aan, vuren elkaar aan, geven elkaar spanning. In mijn boek Het alfabethuis behelst de plotlijn twee Britse piloten die in 1944 worden neergeschoten boven Duitsland. Ze komen terecht in een psychiatrische kliniek van de SS. Dat is het platform waarop mijn personages bewegen. De lijn van de zaak is dat de twee vliegeniers in de inrichting een spel spelen: ze simuleren gekte om te overleven. Dat heeft gevolgen voor hun verdere leven na de bevrijding. Suspense ontstaat als je de plotlijn varieert met nieuwe impulsen, maar vasthoudt aan één perspectief.”

Zou de titel van uw nieuwste boek, ‘De grenzeloze’, op u zelf kunnen slaan? U bent genereus, onderzoekt genres...

„Ik ben nieuwsgierig, daar begint het mee. Mijn vader was psychiater. Ik studeerde sociologie, politieke wetenschappen en filmkunde. Dat vormt een brede basis. Het vertellen van verhalen is mij aangeboren, althans, dat bleek in mijn jeugd. Ik was lid van de scouting. Soms verveelden we ons enorm, bijvoorbeeld als we in een boomhut de nacht moesten doorbrengen. Dan begon ik verhalen te vertellen. In Scandinavië is het vertellen van verhalen ons aller oorsprong. Denk maar aan de saga’s waarmee onze literatuur is begonnen. Het genre van de misdaadliteratuur kan in Scandinavië tot volle bloei komen, omdat we nooit willen ophouden met vertellen. Het ene verhaal roept het andere op. Denk aan grote voorbeelden als Sjöwall & Wahlöö, Stieg Larsson of Henning Mankell: eigenlijk zit er in al hun boeken een Afdeling Q verscholen, de afdeling die onopgeloste moorden of misdaden onderzoekt.”

Uw rechercheur Carl Mørck is anders dan veel detectives. De raadselachtige dood van het meisje grijpt hem aan. Hij wil per se de waarheid vinden.

„Een misdaadroman gaat voor mij nooit over wraak en weerwraak, maar over rechtvaardigheid. Het beeld van de weerloze vrouw in de boomtakken grijpt hem inderdaad aan. Mørck is zelfs ontstemd dat zijn collega’s het delict niet konden oplossen. Wat hij wil is de balans vinden. Een misdrijf brengt de wereld uit evenwicht. De enige mogelijkheid dat evenwicht te herstellen is door rechtvaardigheid na te streven. De ware toedracht vinden is recht doen aan het rechtvaardigheidsgevoel, dat we allemaal in ons dragen. Een misdaad gooit de bestaande orde omver. Dat moet niet gewroken worden, maar verzoend.”

U situeert ‘De grenzeloze’ op Bornholm, een Deens eiland dat ver van de kust in de Oostzee ligt. Waarom?

„Bornholm is een geïsoleerd eiland. Iedereen kent elkaar. Daarom is het des te raadselachtiger dat het misdrijf ongezien kon plaatsvinden. Er zijn wat kleine aanwijzingen, maar aanvankelijk te weinig. Carl moet in die kleine, claustrofobische samenleving de onderste steen boven halen. Bornholm staat voor mij model voor Denemarken. Een land dat in hoge mate in zichzelf is gekeerd. Vlak na de oorlog was er een grote groep van 1.200 vluchtelingen die Denemarken in wilde. Maar ze leden aan besmettelijke ziekten. Dus hield de douane de grens dicht. Mijn vader die psychiater is, wilde hen wél binnenlaten. Hij is de strijd aangegaan met de douane, maar heeft dat verloren. Dat voorval heeft altijd diepe indruk op me gemaakt. Het tastte mijn rechtvaardigheidsgevoel aan.”

Uw schrijven getuigt van empathie, hoe ernstig de misdrijven die aan de orde komen ook zijn. Hoe kun je empathie rijmen met het misdaadgenre?

„Van mijn vader leerde ik dat veiligheid het allerbelangrijkste gevoel is. Dat is de eerste les uit de psychiatrie. Alleen als mensen zich veilig voelen, kunnen ze zich ontplooien. Die vluchtelingen aan de grens van destijds voelden zich opgejaagd en onveilig. Een van de redenen dat ik in de Serie Q de Syriër Assad als assistent van Carl Mørck introduceer, heeft nog altijd met dat incident te maken, bedenk ik me. Assad is even scherpzinnig als Mørck, bezit ook zijn humor en intelligentie. Maar zijn afkomst maakt van hem een buitenstaander. Hij maakt de xenofobie los die veel Denen kenmerkt. We kunnen onze ogen niet sluiten voor het immigratieprobleem in Europa, vanuit landen waar oorlog of armoede heersen. Ik had natuurlijk een beeldschone assistente kunnen bedenken als rechterhand van Carl, maar Assad geeft de misdaadserie een politieke lading. Hij symboliseert de kern van waar het om draait in de Q-serie, namelijk een levensgevaarlijk gevoel van onveiligheid.”