Een businessplan voor de taal

ILLUSTRATIE OLIVIA ETTEMA

Sommige politici behandelen de taal zoals drukke consultants hun oude moeder: terwijl zij op Twitter hun liefde voor haar bejubelen, slijt het besje haar dagen in een verveloos kolenhok.

Ja, tijdens verkiezingen is de moedertaal reuzebelangrijk. „In Rotterdam spreken we Nederlands”, meldde de VVD vorig jaar bij de gemeenteraadsverkiezingen stoer. De partij had even eerder – binnenskamers – aangedrongen op het stopzetten van vrijwel alle overheidssteun voor de taal.

Nederland en Vlaanderen laten hun beleid over taal en literatuur uitvoeren door de Nederlandse Taalunie. Die organisatie kent de Prijs der Nederlandse Letteren toe – dit jaar aan Remco Campert. Zij is verantwoordelijk voor de officiële spelling (het ‘Groene Boekje’). En zij biedt financiële ondersteuning aan Nederlanders en Vlamingen die in Kiev of Jakarta Nederlandse les geven aan de universiteit. In vergelijking met landen die de taal wél serieus nemen, gaat het om grijpstuivers: Duitsland en Frankrijk geven veelvouden uit van het budget van de Taalunie.

Er zijn redenen genoeg om wat geld te besteden. Naast liefde voor de taal, is er ook nog altijd de versterking van onze economische positie door mensen die overal ter wereld onze taal en literatuur willen kennen.

De paar miljoen euro die de twee landen samen voor onze taal uitgeven, waren de VVD bij de laatste kabinetsformatie echter een doorn in het oog. Naar verluidt heeft die partij de Taalunie daarom willen opheffen. Omdat andere partijen en de Vlaamse partners dit tegenhielden, is uiteindelijk een compromis gevonden. Tweeëneenhalf jaar geleden werd een nieuwe topambtenaar aangesteld bij de Taalunie – de beroepsmanager Geert Joris, een man die er trots op is dat hij vooral Amerikaanse thrillers leest en wiens favoriete Nederlandse woord businessplan is. De Nederlandse en Vlaamse ministers die hem aanstelden prezen hem als de man die ‘het debat over de Nederlandse taal zou aanzwengelen’.

Onder zijn leiding voert de Taalunie zonder morren grote bezuinigingen door – op de inhoud. Subsidies aan taalonderwijs voor buitenlanders worden stopgezet. Het prestigieuze Instituut voor Nederlandse Lexicologie wordt in zijn voortbestaan bedreigd. In een interview heeft Joris al gezegd dat de Prijs der Nederlandse Letteren best van veertigduizend naar één euro kan worden teruggebracht.

Intussen is de afdeling communicatie en voorlichting van de Taalunie in twee jaar tijd sterk gegroeid. De organisatie heeft inmiddels een stuk of tien websites met reclame voor het eigen werk gemaakt, er wordt getwitterd dat het een aard heeft. Dit najaar zal een en ander culmineren in een duur feest (de ‘Week van het Nederlands’) die het verschijnen van een nieuw Groen Boekje luister bij moet zetten, waarbij de Taalunie vooral met commerciële bedrijven samenwerkt, want ‘economisering’ van de taal is een van de nieuwe sleutelwoorden.

Iedereen die hart heeft voor de Nederlandse taal en letteren, ziet de uitholling met lede ogen aan. In Vlaanderen is de kwestie al in het parlement aan de orde geweest, maar Nederlandse Tweede Kamerleden – niet alleen die van de VVD – zwijgen terwijl hun moedertaal in het kolenhok wegkwijnt.