Britse pedojacht lijkt op Inquisitie

Door mensen voortdurend op te roepen zich als slachtoffers van misbruik te melden, maakt de politie zich schuldig aan het ‘produceren’ van misdaden, meent Frank Furedi.

illustratie Pavel Constantin

Ruim twee jaar geleden, in oktober 2012, barstte het schandaal rond de Britse tvpresentator Jimmy Savile los. Sindsdien is het aantal beroemdheden dat wordt verdacht van kindermisbruik exponentieel gestegen. Geen verrassing – de Britse autoriteiten zijn geobsedeerd door de ontmaskering van pedofielen van naam en faam. Zo stelden ze afgelopen zomer een speciaal politieteam samen, Operation Hydrant, om het verband tussen seksueel misbruik van kinderen en ‘prominente figuren’ in kaart te brengen. Onlangs onthulden functionarissen van Hydrant dat er onderzoeken lopen naar 1400 verdachten, onder wie 261 beroemdheden.

Dat is nog maar het begin. Simon Bailey, door de Britse Nationale Raad van Hoofdcommissarissen belast met de leiding van het onderzoek, beweerde dat als Operation Hydrant eenmaal op stoom is, er honderdduizenden onbekende slachtoffers zullen worden ‘ontdekt’. De opsporingsmethode berust op het gegeven dat het publiek naar voren gevraagd wordt en bovendien gevraagd wordt kindermisbruik aan te geven. Die methode leidt tot een voortdurende stijging van het aantal aantijgingen. Zoals Bailey zei: „We zien een absoluut ongekende toename.”

Morele kruisvaarders die zijn verbonden aan Hydrant en de kinderbeschermingsindustrie, beweren dat kindermisbruik een pandemie wordt. Dat zou alleen al blijken uit de omvang van het aantal beschuldigingen aan het adres van publieke persoonlijkheden en anderen. „De omvang van het seksueel misbruik van kinderen in het verleden kan vaak overweldigend lijken”, aldus Gabrielle Shaw, voorzitter van de Britse Nationale Vereniging van mensen die als kind zijn misbruikt. Daar vloeit uit voort dat meer mensen verdacht worden. Ook dat is niet zo vreemd. Een onderzoek als Hydrant is er immers op gericht om actief naar aanklachten te zoeken. De traditionele rol van de politie – het oplossen van misdaden die onder de aandacht van de politie worden gebracht – is veranderd. Deze nieuwe vorm van politieonderzoek is bedoeld om nog niet gemelde misdaden bloot te leggen.

Door mensen voortdurend op te roepen zich als slachtoffers van misbruik te melden, maakt de politie zich schuldig aan het ‘produceren’ van misdaden. Bovendien, door beroemde verdachten met naam en toenaam te noemen, hoopt de politie dat er meer slachtoffers naar voren komen. Dat zal weer leiden tot een stijging van het aantal aangiften. Het oplossen van de misdaad is dan, relatief gezien, minder van belang. Het draait immers allemaal om het verkrijgen van bewijsmateriaal tegen de beschuldigden. Niet de kwaliteit maar de kwantiteit van het bewijsmateriaal is belangrijk – hoe groter het aantal aangiften tegen een verdachte, hoe groter de kans op een succesvolle veroordeling.

Het laten stijgen van het aantal aangiften is van groot belang voor deze opsporingsmethode, omdat ondersteunende verklaringen de ‘bewijzen’ leveren die nodig zijn om verdachten te veroordelen. Deze dramatische verandering in opsporing – van het oplossen van aangebrachte misdaden naar het zoeken naar misdaden die nog niet zijn gemeld – wordt zelden opgemerkt. Maar grote operaties als Hydrant zijn in feite oefeningen in het ‘produceren’ van misdaden. Natuurlijk, het ligt voor de hand dat zulke operaties van tijd tot tijd echte criminaliteit blootleggen. Maar dat gaat wel ten koste van het rechtssysteem.

Actief ‘vissen’ naar slachtoffers en met terugwerkende kracht zoeken naar aantijgingen weerspiegelen een verontrustende ontwikkeling in het strafrecht. In plaats van een misdaad op te lossen, wordt gepoogd een misdaad bloot te leggen, om zo het bewijs tegen een verdachte te versterken. Zo’n operatie is geen antwoord op het – al dan niet vermeende – misbruik dat door een individu vrijwillig naar voren is gebracht. Het is een uitnodiging aan mensen om hun ervaringen uit het verleden te herinterpreteren – maar dan in de rol van slachtoffer. Een uitnodiging om gebeurtenissen uit het verleden opnieuw te bezien – maar dan door het prisma van misbruik.

Een door de staat gecoördineerde campagne om kwaadwillende personen te ontmaskeren die een bedreiging vormen voor de morele orde, heeft de neiging uit de hand te lopen. Ze leidt vaak tot onrecht. De oproep om verdachten aan te geven, zorgt dikwijls voor een dynamiek waarbij louter sprake is van wantrouwen en angst. Tijdens de ‘grote terreur’ in de Sovjet-Unie in de jaren dertig leidde de oproep om ‘de verborgen vijanden te ontmaskeren’ tot een stortvloed aan beschuldigingen. Familieleden en collega’s werden ertoe aangezet elkaar aan te geven. En net als bij de ‘vissende’ politie van vandaag de dag gebruikten de Sovjet-autoriteiten ondersteunend bewijsmateriaal om ‘kwaadwillende samenzweerders’ aan te pakken.

Deze opsporingsmethode is sterk afhankelijk van de aantijgingen die derden doen. Deze procedure is door de katholieke Inquisitie uit de 16e eeuw gecultiveerd, waarbij de beschuldiging van ketterij het centrale element van een zaak werd. Soms was er slechts een eenvoudige aantijging nodig om een zaak te beginnen, de bewijslast lag bij de verdachte ketter. De angst en de haat rond het verschijnsel ketterij zorgden er intussen voor dat rechtbanken niet neutraal waren in conflicten tussen beschuldigden en aanklagers.

Vandaag de dag komt de aanklager onmiddellijk in de rol van slachtoffer terecht en lijkt de beklaagde op z’n minst betrokken in een zaak van ‘waar rook is, is vuur’. Misschien een vooruitgang in vergelijking met de methoden van de 16e-eeuwse Inquisitie, maar de oude ketterjagers zouden de aanpak van hun 21e-eeuwse erfgenamen ongetwijfeld toejuichen. De nieuwe opsporingsmethoden ontberen iedere objectiviteit en neutraliteit. Onderzoekers zijn te betrokken bij de constructie van strafrechtzaken – ze ontberen daardoor de objectiviteit die nodig is om een eerlijk proces te kunnen garanderen.

Daarom is de bekendmaking dat Operation Hydrant zich op 1400 verdachten richt, zo zorgwekkend. Een beschaafde samenleving heeft behoefte aan gerechtigheid – niet aan een nieuwe Inquisitie.